Sign in to follow this  
Jimski

Losse stukjes topic

48 posts in this topic

Wil je niet een heel verhaal beginnen maar heb je wel een leuk stukje geschreven wat je graag wilt delen, dan kan dat hier. Van een kort gedichtje tot lang epistel en van een ritverslag van je heroïsche rit op PCM tot een fantasieverhaaltje, alles kun je hier kwijt.

Mocht je bijvoorbeeld een leuk stukje hebben en graag wat tips hebben voor je een verhaal begint bijvoorbeeld, dan is dat ook hier mogelijk. Dus brand lekker los als je wat met je mede Focussers te delen hebt!

Share this post


Link to post
Share on other sites

Leuk topic kan dit worden. Ik heb laatst twee korte fantasie stukjes gemaakt, maar wist niks er meer bij. Zal ze morgen posten en dan hoop ik ook op een beetje kritiek.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Leuk initiatief inderdaad, zo hoeven mensen die leuke ideeën hebben voor een verhaaltje geen heel lang verhaal op te starten die ze misschien toch niet afmaken :)

Share this post


Link to post
Share on other sites

Was vorig jaar in de zomer begonnen aan een fictieve wielernovelle, maar dat is een beetje gestokt toen. Als ik het zo teruglees vind ik het best matig, maar ach, het kan geen kwaad om het hier te plaatsen. :)

Stefan Brouwer

1. Het vervelende gekraak van de omwentelingen van een trapper die door weer en wind gesleten door de lucht circuleert, maakte het voor Stefan veel moeilijker om zich te concentreren. Hij had het beloofd aan zijn moeder, zijn school zou hij afmaken, maar het kostte veel moeite. Algebra had hij nooit leuk gevonden en altijd als erg lastig ervaren, nu was echter het toppunt bereikt. Die verdomde richtingscoëfficiënt ook. Hij zat op zijn kamer in de flat, waarin hij samen met zijn moeder woonde, en had geprobeerd een nieuwe band op zijn fiets te leggen. Een stuk glas van een bierflesje had roet in het eten gegooid tijdens een training en was diep in de band gedrongen, want ook de binnenband was beschadigd en moest vervangen worden. Breed hadden ze het niet, dus de onkosten voor de band moest Stefan zelf betalen met het geld dat hij verdiende door het winnen van koersen. In het jongerenpeloton had hij al in verschillende mooie races gezegevierd en een plek in de hoofdploeg van Team Blanco lonkte. Al het moois van weleer gleed door zijn hoofd, tot hij besefte dat hij naar de toekomst moest kijken. Zelf had Stefan zijn keuze allang gemaakt: hij zou alles zetten op een carrière in de wielersport en zijn studie links laten liggen. Helaas was moeder het niet met hem eens, want hij moest en zou zijn MBO-opleiding afmaken. Gezeur, vervelend gezeur. Meer niet. Hij zou toch wel in het wielerpeloton belanden. Een rasklimmer, dat was hij, en een topklimmer wilde hij worden. Maar eerst maar eens die wiskundesommen, dacht hij, voordat hij toch weer wegdoezelde in zijn fantasieën over de toekomst, een toekomst die dichterbij zou blijken dan hij dacht.

2. “Stefan, wakker worden!”, galmde door huize Brouwer. Nog half slapend boog Stefan voorover om op zijn wekker te kijken om te zien hoe laat het was, maar hij schrok op van zijn moeder die razend binnenkwam. “Het is al acht uur, je had al op weg naar school moeten zijn.” Snel schoot hij in zijn broek, trok het dichtstbijzijnd liggende T-shirt aan en rende naar beneden voor het ontbijt, dat zoals altijd bestond uit een boterham met pindakaas en hagelslag, wat crackers met stroop en melk om het snel weg te kunnen spoelen. Vandaag was de dag van het proefwerk wiskunde, maar hij zag er erg tegen op. Eigenlijk was het geen optie om naar school te gaan, het zou hoe dan ook een onvoldoende worden, en die kon hij niet gebruiken. Nee, hij zou zich halverwege de dag, voordat het tentamen zou beginnen, ziek melden en dan weer naar huis gaan met als gevolg een boze moeder, maar in ieder geval geen slecht punt voor wiskunde. Ook was het dan nog mogelijk om eens goed te trainen voor de wedstrijd aankomend weekend, want daar zou de beoordelaar van de Blanco-ploeg staan. Een belangrijke koers dus, waarbij Stefan op zijn best zou moeten zijn. De race zou vlakbij zijn woonplaats Hamert plaatsvinden, een heuvelig parcours was uitgestippeld, min of meer zijn terrein dus. Hij was dan ook als kopman uitgekozen om de ploeg te vertegenwoordigen, alle ogen zouden op hem gericht zijn en hij moest en zou presteren. “Godverdomme Stefan, het is al half negen, de school is al begonnen”, riep zijn moeder. “Ja, mam, ik ga al. Ik verzin wel een smoes, dat lukt vast wel”, antwoordde Stefan, reeds in de wetenschap dat hij binnen enkele uren al weer terug zou zijn. Gelukkig zou zijn moeder dan op het werk zijn en kon hij zich rustig voorbereiden op de wedstrijd dit weekeinde.

3. Alles had gewerkt. De vriendelijke conciërge geloofde meteen dat hij zich niet lekker voelde en gauw naar huis moest om op de bank te liggen en te rusten, waardoor Stefan al om elf uur ’s ochtends weer thuis was. Het regende miezerig, erg vervelend vond hij altijd. Het was het net niet. Laat het of met bakken uit de hemel vallen, of gewoon droog zijn, en niet ertussenin. Toch vertrok hij om te gaan trainen, nadat hij even een kop koffie had gezet, een slechte gewoonte na het thuiskomen van school. Een stevige windvlaag had Stefan al bij het naar buiten komen te pakken, een verkoudheid greep hem bij zijn keel, maar hij was niet van plan om op te geven en hij vermande zich. Het begin van de tocht verliep aardig. Zijn benen draaiden goed rond en de kleine hellingen die hij tegemoet reed, versloeg Stefan met gemak. Hij zag ze altijd als vijanden die je bij de kop moet pakken en fijn moet knijpen, tot het laatste beetje leven hun lichaam verlaat. Het zijn gemene wezens, enkel en alleen bestaand om het de mens lastig te maken in het dagelijks leven, maar Stefan legde zich hier niet bij neer. Voor hem was het juist een uitdaging om ze zo snel mogelijk op te komen, te overwinnen, en hij was er nog goed in ook. Na verschillende klimmetjes en kleine afdalingen had Stefan een geslaagde training achter de rug. Een betere voorbereiding voor de wedstrijd kon hij niet hebben. Zijn conditie was op peil en hij voelde zich goed. Genoegzaam begaf hij zich terug naar huis, waar een niet al te leuke verrassing hem opwachtte.

4. Hij was nog niet binnen, of het begon al. “Stefan, we moeten praten”, begon zijn moeder, nadat ze de deur voor hem open had gemaakt. Stefan ging aan de tafel zitten, waar zijn moeder al wat thee die inmiddels lauw was geworden had neergezet, en nam, een lange tirade over het zogenaamde spijbelen verwachtend, de zetel tegenover zijn moeder. “Het gaat over oma. Ik ben vanmiddag opgebeld door het ziekenhuis. Ze vertelden dat oma met hoge spoed met de ambulance naar het ziekenhuis was gebracht en dat ze daar is aan haar verwondingen is overleden. Ze is verongelukt, aangereden op straat. Een autobestuurder lette niet op en reed haar aan, terwijl ze over het zebrapad liep.” Stefan kon zijn oren niet geloven. Zijn grootvader was juist een paar maanden daarvoor overleden en daar had hij veel verdriet van gehad. Dit kon er niet ook nog bij. In een zeer kort tijdsbestek was hij ineens zijn opa én zijn oma kwijt, totaal onverwachts. Zijn oma was altijd kerngezond geweest en net zo’n groot sportfan als hij en ineens was ze weg, plots was ze verdwenen, heengegaan, naar een onbekend doel, of een onbekende plek. Hij besefte het nog maar nauwelijks. Toch wilde Stefan niet bij de pakken neer gaan zitten, want ondanks alles zou de wedstrijd doorgaan. “The show must go on”, zou zijn oma, die uit Derbyshire kwam, dan ook zeggen. Ze had hem altijd gesteund in het wielrennen en was zijn grootste fan. Voor haar zou hij de wedstrijd gaan winnen. Gebrand en tot op het bot gemotiveerd zou hij de volgende morgen aan de start staan. Strijden tot je erbij neervalt, de dood of de gladiolen. Het zou hem lukken.

5. Een moeizame ochtend was het, de ochtend voor dé wedstrijd. Stefan had nauwelijks geslapen, ondanks zijn goede voornemens om te volharden, en had constant gedacht aan zijn gestorven grootmoeder. De dood, een hatelijk schepsel, dat zonder reden mensen wegneemt uit een zieke maatschappij. Een maatschappij, waarin hij zijn brood wilde verdienen door te fietsen, hard te fietsen. En nu had hij een kans op een contract, bij het profteam van Blanco, voorheen de Rabobank-ploeg. De mogelijkheid op een wielerleven was heel dichtbij, maar daarvoor moest hij wel presteren. Presteren in een moeilijke race, waarin alle goede wielertalenten zich zouden willen laten zien. Dat zou het voor Stefan lastig maken om zich te onderscheiden, maar hij zou er in ieder geval alles aan doen. Hij zou er alles aan doen om zijn droom om profwielrenner te worden werkelijkheid te maken, maar eerst wilde Stefan alle zorgen van zich afdouchen. Hij zette de temperatuur van het water lekker hoog, 45 graden, en liet het water langs zijn lichaam glijden. Het douchen vond hij altijd het hoogtepunt van de voor de rest meestal vreselijke ochtenden. Een heerlijke warmte maakte zich dan van hem meester. Het morgenmaal was al door zijn moeder klaargezet, toen Stefan beneden kwam, en ook het Algemeen Dagblad, dat hij elke ochtend las, lag al bij zijn plek. Hij was er klaar voor, ondanks het verlies van zijn grootmoeder, waaruit hij kracht probeerde te putten voor de koers. En nadat Stefan de krant uitgelezen had en zijn ontbijt op had, fietste hij naar het startpunt van de race, dat immers erg dichtbij zijn huis was gelegd. Vol vertrouwen in een goede afloop.

6. Eenmaal aangekomen kreeg Stefan zijn nummer, 51, opgespeld en reed hij nog wat in op de rollen van zijn team. Hier had hij naar toegeleefd de voorbije weken en nu was het werkelijk zover. Na de teambespreking maakte iedereen zich klaar en reed naar het punt van vertrek. Het startschot klonk, het was begonnen. Stefan werd beschermd door een ploeggenoot, Klaas, die hem was toegewezen als meesterknecht. De twee hadden een goede verstandhouding en hadden al vaker samen gereden in belangrijke koersen, dus de communicatie verliep soepel. De race bestond uit een negentig kilometer lang parcours, met een stuk of zes heuveltjes van gemiddeld twee kilometer per helling. Een paar kilometer voor de eerste glooiing schoven Stefan en Klaas wat naar voren, zodat ze niet verrast konden worden, en alles liep prima. De vlucht van de dag bestond uit een paar onbeduidende aanvallers, zonder specifieke kwaliteiten, die wel teruggehaald zouden worden. Het plan was immers dat twee van Stefan’s ploeggenoten rond kilometer dertig op kop zouden rijden om de achterstand binnen de perken te houden. Na een tijdje zou daar nog een teamgenoot bijkomen en dit zou zo doorgaan tot de laatste klim, want daar begon het voor Stefan. Het was de bedoeling dat Stefan hier in actie zou komen, hij moest daar aanvallen en een gat slaan, zodat hij solo over de streep kon komen. Hoewel de vooruitzichten goed waren, bleek na 65 kilometer dat de vluchters nog wel een erg grote vlucht hadden, een goede drie minuten lagen ze voor op het peloton daarachter. Stefan maakte zich flink zorgen, het ging niet snel genoeg, er moest iets gebeuren. Hij maakte een drastische beslissing, waarvan het nog maar de vraag was, of het een goede zou zijn. Hij zou niet de laatste klim aanvallen, maar de op een na laatste klim. Andere opties waren er niet.

7. Nog vijf kilometer en Stefan zou zijn aanval plaatsen en trachten bij de kopgroep te komen en hieruit daarna ook weg te springen. Hij had in ieder geval genoeg water, daar had zijn ploeggenoot Gerald voor gezorgd. De voorlaatste klim was bereikt. Nu was het zijn beurt, hij moest de verwachtingen waarmaken. En daar ging hij, hij voelde zich goed, de hele dag al. Twee minuten waren te overbruggen, geen onmogelijke opgave, maar hij zou er alles voor moeten geven. Een renner van Accent Jobs – Wanty volgde, die had blijkbaar ook plannen. Hij kende hem al, want hij had al vaker tegen hem gereden. Het was een knokige, slungelige jongen met een goede versnelling, maar zonder al te veel uithoudingsvermogen. Ze draaiden nu met zijn tweeën goed en kwamen al dichterbij de koplopers, die al een lange tijd voor hadden gereden. En zo kwam het dat ze met nog tien kilometer te gaan aan konden sluiten. Stefan had veel energie verspild om erbij te komen, maar stap één van zijn plan was gelukt. Nu hier nog wegkomen. Hij moest echter eerst nog even recupereren en daarvoor had hij precies tijd genoeg, want de laatste helling deed zich voor op vijf kilometer van de streep. Een steile helling, met stukken van misschien wel vijftien procent. Stefan kreeg wat kramp in zijn kuiten, het zou toch niet zo zijn dat hij nu zou moeten afhaken, zo vlak voor de streep? De pijn verbijtend en een laatste slok uit zijn gehavende bidon nemend, bekeek hij zijn medevluchters nog even goed. Stuk voor stuk minderwaardig aan hem. Hij kreeg er weer vertrouwen in en zag zijn kans op één van de steilste vlakken, Stefan sprong weg. Met alle kracht die nog in zijn lijf zat, reed hij naar boven. Naar de finish. De finish, waar zijn moeder hem zou opwachten, en een grote menigte zich had verzameld. Het eindpunt van deze barre tocht, waar ook de ploegleide rvan de Belkin-ploeg stond. De verzuring in zijn benen werd steeds erger, maar hij beet door. Een glorieus moment lag in het verschiet.

8. De weg lag geplaveid voor een overwinningstocht en daar kwam Stefan in zijn eentje de bocht om. Hij had hier alles voor gegeven en het was hem nog gelukt ook, hij zou winnen. Eindelijk had het geluk hem bijgestaan, in een erg belangrijke koers ook nog. Solo reed hij naar de zege, het plan was uitgevoerd, ondanks de obstakels die een droom onvermijdelijk met zich meedraagt. De streep was slordig gekalkt, maar dat maakte hem niet uit, hij lette er niet op. Wel zag Stefan zijn moeder staan, omringd door een menigte mensen, maar toch opvallend. Niet door een felrode jas of blauw haar, wel door de flikkering in haar ogen, het geluk dat zij ook zo ervoer. Een fierheid die alles overtrof had zich van haar meester gemaakt en dat was voor iedereen te zien. “En jawel hoor, dames en heren, Stefan Brouwer, kopman van de jongerenploeg van Team Blanco Cycling komt alleen over de streep, als eerste!”, weerklonk uit de witte speakers. Hij hoorde het echter niet, hij keek vooral naar zijn moeder, een vrouw verscheurd door verdriet en gemis, maar nu trots op haar zoon. Na de wedstrijd fietsten ze samen naar huis. “Je was geweldig”, prees Andrea Brouwer haar zoon weemoedig en trots. Ze was normaal niet zo opgetogen, het was een kalme vrouw die in de zwaarste situaties het hoofd boven water probeerde te houden en kalm poogde te blijven. Stefan hoorde haar lofzang rustig aan, zonder zin om zelf wat te zeggen. “Ik heb die mensen van Belkin horen praten en ze schenen mij zeer positief over jou, niet verwonderlijk ook na zo’n fantastische race.” Stefan kon zijn geluk niet op, maar reageerde niet. Hij wilde dit soort dingen het liefst alleen beleven en zijn emoties toonde hij liever niet. Ze waren thuis en hij ging dan ook gelijk naar boven, naar zijn kamer, waar zijn prijzenkastje een trofee rijker werd.

9. Enkele weken later zat Stefan alleen op zijn kamer computerspelletjes te spelen. Hij was groot fan van wielerspellen, maar hield eveneens van voetbalgames. Terwijl hij hierbij een doelpunt scoorde en juichend opsprong om zijn treffer te vieren, trad Andrea binnen. Zijn moeder keek vergenoegd en had een envelop in haar handen. Een brief van de Belkin-ploeg. Onmiddellijk wist Stefan wat het betekende. Hij griste de brief uit haar handen, plofte neer op zijn bed, scheurde hem open en begon te lezen.

“Geachte Stefan Brouwer,

Het is de ploegleiders van Team Blanco Pro Cycling opgevallen dat u de laatste periode zeer goed en constant presteert. Derhalve zouden wij u willen vragen, of u zich wilt aansluiten bij het profteam van onze ploeg. Hierover heeft u al verschillende gesprekken gehad met de trainers van de amateurploeg en wij zijn ervan overtuigd dat u klaar bent voor deze stap. Binnen enkele dagen zullen wij u nog telefonisch proberen te bereiken om verdere afspraken te maken en wat ons betreft tekent u dan binnen korte tijd een contract voor meerdere jaren.

Hopende u hiermee genoeg geïnformeerd te hebben,

Hoogachtend,

Jan Zweers

Team Blanco Pro Cycling”

Met tranen in zijn ogen las Stefan de brief verschillende malen en toen het dan eindelijk tot hem was doorgedrongen wat hem te wachten stond, legde hij de brief op zijn nachtkastje en haalde eens goed adem. Wat was er toch veel gebeurd en wat had hij veel om over na te denken. Een keuze had hij natuurlijk allang gemaakt, hij zou zijn kans grijpen en keek uit naar het telefoongesprek.

Edited by David

Share this post


Link to post
Share on other sites

Juist het eerste puntje gelezen, en het probleem daarmee is dat er veel te veel informatie in staat.

 

Waarom niet beginnen bij het trainingsritje dat aanleiding geeft tot dat stuk bierfles in zijn band (en waaruit zijn klimtalent al blijkt). Als lezer denk je dan "nou, even pech gehad.", maar als je er dan voor zorgt dat het hoofdpersonage heel de situatie dramatiseert, dan denk je van "wat een vreemde gozer. Het is maar een lekke band". En dan laten blijken dat ze het niet breed hebben, wat meteen sympathie opwekt. Zegt die moeder ook meteen: "zie je wel, dat dwaze koersen kost ons enkel geld! Beter ga je studeren om geld te verdienen!" En dan pas geef je het beeld van een hoopje ellende dat op zijn kamer zit te studeren. 

 

Maakt je eerste stuk minstens drie keer zo lang zonder dat er extra informatie is, maar het is dan ook geen documentaire. Want qua zinnen maken en woordenkunstenarij is hier niets mis mee. Al snap ik (persoonlijk) de eerste zin inhoudelijk wel al niet. Misschien te mooi voor wat het maar is.  

Share this post


Link to post
Share on other sites

Dit is wel een stuk minder goed dan dat van David, maar goed. Als het niks is zeg het dan gewoon, maar zeg dan wel hoe ik het kan verbeteren.

 

1. Die dag…

Het was een doodnormale schooldag. Ik woonde op twintig kilometer van school en ik moest dag in, dag uit door de polders om op school te komen. Zoals altijd reed ik zo hard als mogelijk op mijn normale fiets en als racefietsers me inhaalden dan probeerde ik direct in het wiel te springen. Zo ook vandaag, vandaag sprong ik in het wiel van een renner met een mooi shirtje van Cycling Team De Rijke.

Toen ik een paar minuten in het wiel zat keek de fietser om en kwam naast me fietsen en hij vroeg me of ik aan wielrennen deed. Ik zei: 'Nee, ik heb wel een racefiets, maar echt op wielrennen zit ik niet, het is een leuke hobby van me.' Hij antwoordde en zei dat ik talent heb en dat ik er eens over na moest denken om op wielrennen te gaan. Ik vroeg wie hij was en het bleek Ronan van Zandbeek te zijn. Ik kende hem niet, maar toen ik thuis was heb ik even op hem gegoogled en Ronan is een renner uit het echte Cycling Team De Rijke! Die had ik dus bijgehouden op mijn normale fietsje.

’s Avonds bij het avondeten vertelde ik mijn ouders het verhaal, maar enthousiast waren zij jammer genoeg niet. Ze vonden dat ik het met korfbal al druk genoeg had en daarnaast moest ik ook nog goede cijfers halen op school. Onder de indruk waren ze ook niet van mijn prestatie, want zij kennen heel de wielerploeg Cycling Team De Rijke niet, laat staan Ronan van Zandbeek. Er zat niks anders op dan iedere dag maar weer hard door de polders te rijden en hopen dat ik weer een keer een goede wielrenner kan bijhouden. Misschien zijn ze dan wel overtuigd.

 

2. De weg naar school

 

’s Nachts heb ik gedroomd over een mooie wielercarrière van mezelf. Ik was onder andere de sterkste in de Giro d’Italia en werd bijna wereldkampioen op de Cauberg. Tuut tuut! Daar gaat die rotwekker weer, wat betekent dat ik moet opstaan voor weer een nieuwe schooldag. Tijdens het eten zit ik zoals gewoonlijk nogal dromerig voor me uit te kijken en moet ik uiteindelijk in vijf minuten nog snel een boterham naar binnenwerken en een paar boterhammen klaarmaken voor school. Dan snel op de fiets naar school.

Het is buiten nog een beetje schemerig, dus doe ik voor de zekerheid toch mijn lamp maar aan. Althans ik probeerde hem aan te doen, maar hij deed het niet. Dan maar zonder lamp naar school, zo donker is het nou ook weer niet. Echter zie ik als ik ongeveer tien minuten op de fiets zit een politieagent en die vindt natuurlijk dat ik m’n lamp aan moet hebben. Ik probeer hem nog uit te leggen dat ik er vanochtend pas achter kwam dat mijn lamp het niet deed, maar dat geloven die mannetjes toch nooit. Ik kreeg dus een boete.

Boos rijd ik weer verder naar school. Op dit soort momenten denk ik dan in mezelf: ‘Waarom woon ik nou zover van school?’ Het tempo zit er op de fiets duidelijk niet meer in en eenmaal op school aangekomen blijkt het dat ik tien minuten te laat. Dat wordt dus een briefje. De conciërge vraagt natuurlijk waarom ik te laat ben. Waarop ik antwoordde dat ik werd aangehouden, omdat mijn licht het niet deed. De conciërge lachte een beetje en zei dat wij leerlingen steeds weer met andere smoesjes komen. Dat kon ik op dat moment even niet meer hebben en de conciërge had door dat ik boos werd. ‘Doe maar rustig hoor, je bent niet de enige die slechte smoesjes heeft,’ zei de conciërge en hij gaf me het briefje. Met een rood hoofd liep ik vervolgens naar het lokaal.

Share this post


Link to post
Share on other sites
Het was een doodnormale schooldag. Ik woonde op twintig kilometer van school en ik moest dag in, dag uit door de polders om op school te komen. Zoals altijd reed ik zo hard als mogelijk op mijn normale fiets

 

 

We zien iets te zeer dat het allemaal zeer normaal is. Wat je met die "dag in, dag uit" doet, is best goed. Geeft impliciet het normale aan. Moet je ook met je laatste twee zo doen. Een normale fiets, dat is dan een stadsfiets. 

Origineel: Toen ik een paar minuten in het wiel zat keek de fietser om en kwam naast me fietsen en hij vroeg me of ik aan wielrennen deed. Ik zei: 'Nee, ik heb wel een racefiets, maar echt op wielrennen zit ik niet, het is een leuke hobby van me.' Hij antwoordde en zei dat ik talent heb en dat ik er eens over na moest denken om op wielrennen te gaan. Ik vroeg wie hij was en het bleek Ronan van Zandbeek te zijn. Ik kende hem niet, maar toen ik thuis was heb ik even op hem gegoogled en Ronan is een renner uit het echte Cycling Team De Rijke! Die had ik dus bijgehouden op mijn normale fietsje.
Juraj: Na een paar minuten in zijn wiel gezeten te hebben, keek de fietser om en kwam naast me fietsen. Hij vroeg me of ik aan wielrennen deed. Ik zei: "Nee, al is het wel een leuke hobby van me om op mijn racefiets te zitten. Hij antwoordde dat ik talent heb en er eens over na moest denken om op wielrennen te gaan. Ik vroeg wie hij was en het bleek Ronan van Zandbeek te zijn. De naam deed geen belletje bij me rinkelen. Google wist me evenwel te vertellen dat Ronan een renner is uit het echte Cycling Team De Rijke! Die had ik dus bijgehouden op mijn normale fietsje.    

Aantal keren 'ik' bovenaan: 12 Aantal keren 'ik' onderaan: 5 

Ikzelf heb ook enorm lang gedacht dat er geen ontkomen aan was: vertel je een verhaal uit eerste persoon, dan heb je enorm veel "ikken". Als je er wat moeite voor doet, kan je dat aantal echter toch halveren, zonder dat de tekst daarvoor veel aangepast moet worden. Daar kan je dus zeker wat op letten. 

 

Algemenere tip is misschien om toch maar in derde persoon te schrijven. Kun je naast "hij/zij" ook al meteen de eigennaam gebruiken voor variatie. Bovendien is je schrijfstijl behoorlijk beschrijvend, en dat gaat net iets beter samen met een derde persoon, zeker als je een verleden tijd hanteert en niet vanuit de tegenwoordige tijd beschrijft. 

 

 

Puur inhoudelijk misschien dezelfde kritiek die ik op David had. Ik weet wel dat je graag vooruit wil met het verhaal en niet wil blijven steken op details, maar die maken toch echt het verhaal. Heel die scene met Ronan van Zandbeek: daar valt toch meer uit te halen? 

Share this post


Link to post
Share on other sites

Bedankt voor je reactie @Juraj! Hier kan ik zeker wat mee en zal ik zeker gaan gebruiken als ik weer ga schrijven!

Share this post


Link to post
Share on other sites

Bedankt inderdaad voor alle tips (ook die voor LL-fan) Erg nuttig. En @LL-Fan. Het is op zich je eigen keuze, maar ik zelf vind de verleden tijd fijner om te schrijven. Zoals Juraj al zei, schrijf je wat beschrijvend en als je dan de tip van Juraj opvolgt door een alwetende verteller te gebruiken, kun je ook beter in de verleden tijd schrijven vind ik zelf.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Met die tijden zat ik ook flink te worstelen en iedere keer merkte ik al wel dat de verleden tijd makkelijker was, maar ik dacht dat de tegenwoordige tijd beter was. Zal ook een proberen in verleden tijd, bedankt! :)

Share this post


Link to post
Share on other sites

Was vorig jaar in de zomer begonnen aan een fictieve wielernovelle, maar dat is een beetje gestokt toen. Als ik het zo teruglees vind ik het best matig, maar ach, het kan geen kwaad om het hier te plaatsen. :)

Stefan Brouwer

1. Het vervelende gekraak van de omwentelingen van een trapper die door weer en wind gesleten door de lucht circuleert, maakte het voor Stefan veel moeilijker om zich te concentreren. Hij had het beloofd aan zijn moeder, zijn school zou hij afmaken, maar het kostte veel moeite. Algebra had hij nooit leuk gevonden en altijd als erg lastig ervaren, nu was echter het toppunt bereikt. Die verdomde richtingscoëfficiënt ook. Hij zat op zijn kamer in de flat, waarin hij samen met zijn moeder woonde, en had geprobeerd een nieuwe band op zijn fiets te leggen. Een stuk glas van een bierflesje had roet in het eten gegooid tijdens een training en was diep in de band gedrongen, want ook de binnenband was beschadigd en moest vervangen worden. Breed hadden ze het niet, dus de onkosten voor de band moest Stefan zelf betalen met het geld dat hij verdiende door het winnen van koersen. In het jongerenpeloton had hij al in verschillende mooie races gezegevierd en een plek in de hoofdploeg van Team Blanco lonkte. Al het moois van weleer gleed door zijn hoofd, tot hij besefte dat hij naar de toekomst moest kijken. Zelf had Stefan zijn keuze allang gemaakt: hij zou alles zetten op een carrière in de wielersport en zijn studie links laten liggen. Helaas was moeder het niet met hem eens, want hij moest en zou zijn MBO-opleiding afmaken. Gezeur, vervelend gezeur. Meer niet. Hij zou toch wel in het wielerpeloton belanden. Een rasklimmer, dat was hij, en een topklimmer wilde hij worden. Maar eerst maar eens die wiskundesommen, dacht hij, voordat hij toch weer wegdoezelde in zijn fantasieën over de toekomst, een toekomst die dichterbij zou blijken dan hij dacht.

2. “Stefan, wakker worden!”, galmde door huize Brouwer. Nog half slapend boog Stefan voorover om op zijn wekker te kijken om te zien hoe laat het was, maar hij schrok op van zijn moeder die razend binnenkwam. “Het is al acht uur, je had al op weg naar school moeten zijn.” Snel schoot hij in zijn broek, trok het dichtstbijzijnd liggende T-shirt aan en rende naar beneden voor het ontbijt, dat zoals altijd bestond uit een boterham met pindakaas en hagelslag, wat crackers met stroop en melk om het snel weg te kunnen spoelen. Vandaag was de dag van het proefwerk wiskunde, maar hij zag er erg tegen op. Eigenlijk was het geen optie om naar school te gaan, het zou hoe dan ook een onvoldoende worden, en die kon hij niet gebruiken. Nee, hij zou zich halverwege de dag, voordat het tentamen zou beginnen, ziek melden en dan weer naar huis gaan met als gevolg een boze moeder, maar in ieder geval geen slecht punt voor wiskunde. Ook was het dan nog mogelijk om eens goed te trainen voor de wedstrijd aankomend weekend, want daar zou de beoordelaar van de Blanco-ploeg staan. Een belangrijke koers dus, waarbij Stefan op zijn best zou moeten zijn. De race zou vlakbij zijn woonplaats Hamert plaatsvinden, een heuvelig parcours was uitgestippeld, min of meer zijn terrein dus. Hij was dan ook als kopman uitgekozen om de ploeg te vertegenwoordigen, alle ogen zouden op hem gericht zijn en hij moest en zou presteren. “Godverdomme Stefan, het is al half negen, de school is al begonnen”, riep zijn moeder. “Ja, mam, ik ga al. Ik verzin wel een smoes, dat lukt vast wel”, antwoordde Stefan, reeds in de wetenschap dat hij binnen enkele uren al weer terug zou zijn. Gelukkig zou zijn moeder dan op het werk zijn en kon hij zich rustig voorbereiden op de wedstrijd dit weekeinde.

3. Alles had gewerkt. De vriendelijke conciërge geloofde meteen dat hij zich niet lekker voelde en gauw naar huis moest om op de bank te liggen en te rusten, waardoor Stefan al om elf uur ’s ochtends weer thuis was. Het regende miezerig, erg vervelend vond hij altijd. Het was het net niet. Laat het of met bakken uit de hemel vallen, of gewoon droog zijn, en niet ertussenin. Toch vertrok hij om te gaan trainen, nadat hij even een kop koffie had gezet, een slechte gewoonte na het thuiskomen van school. Een stevige windvlaag had Stefan al bij het naar buiten komen te pakken, een verkoudheid greep hem bij zijn keel, maar hij was niet van plan om op te geven en hij vermande zich. Het begin van de tocht verliep aardig. Zijn benen draaiden goed rond en de kleine hellingen die hij tegemoet reed, versloeg Stefan met gemak. Hij zag ze altijd als vijanden die je bij de kop moet pakken en fijn moet knijpen, tot het laatste beetje leven hun lichaam verlaat. Het zijn gemene wezens, enkel en alleen bestaand om het de mens lastig te maken in het dagelijks leven, maar Stefan legde zich hier niet bij neer. Voor hem was het juist een uitdaging om ze zo snel mogelijk op te komen, te overwinnen, en hij was er nog goed in ook. Na verschillende klimmetjes en kleine afdalingen had Stefan een geslaagde training achter de rug. Een betere voorbereiding voor de wedstrijd kon hij niet hebben. Zijn conditie was op peil en hij voelde zich goed. Genoegzaam begaf hij zich terug naar huis, waar een niet al te leuke verrassing hem opwachtte.

4. Hij was nog niet binnen, of het begon al. “Stefan, we moeten praten”, begon zijn moeder, nadat ze de deur voor hem open had gemaakt. Stefan ging aan de tafel zitten, waar zijn moeder al wat thee die inmiddels lauw was geworden had neergezet, en nam, een lange tirade over het zogenaamde spijbelen verwachtend, de zetel tegenover zijn moeder. “Het gaat over oma. Ik ben vanmiddag opgebeld door het ziekenhuis. Ze vertelden dat oma met hoge spoed met de ambulance naar het ziekenhuis was gebracht en dat ze daar is aan haar verwondingen is overleden. Ze is verongelukt, aangereden op straat. Een autobestuurder lette niet op en reed haar aan, terwijl ze over het zebrapad liep.” Stefan kon zijn oren niet geloven. Zijn grootvader was juist een paar maanden daarvoor overleden en daar had hij veel verdriet van gehad. Dit kon er niet ook nog bij. In een zeer kort tijdsbestek was hij ineens zijn opa én zijn oma kwijt, totaal onverwachts. Zijn oma was altijd kerngezond geweest en net zo’n groot sportfan als hij en ineens was ze weg, plots was ze verdwenen, heengegaan, naar een onbekend doel, of een onbekende plek. Hij besefte het nog maar nauwelijks. Toch wilde Stefan niet bij de pakken neer gaan zitten, want ondanks alles zou de wedstrijd doorgaan. “The show must go on”, zou zijn oma, die uit Derbyshire kwam, dan ook zeggen. Ze had hem altijd gesteund in het wielrennen en was zijn grootste fan. Voor haar zou hij de wedstrijd gaan winnen. Gebrand en tot op het bot gemotiveerd zou hij de volgende morgen aan de start staan. Strijden tot je erbij neervalt, de dood of de gladiolen. Het zou hem lukken.

5. Een moeizame ochtend was het, de ochtend voor dé wedstrijd. Stefan had nauwelijks geslapen, ondanks zijn goede voornemens om te volharden, en had constant gedacht aan zijn gestorven grootmoeder. De dood, een hatelijk schepsel, dat zonder reden mensen wegneemt uit een zieke maatschappij. Een maatschappij, waarin hij zijn brood wilde verdienen door te fietsen, hard te fietsen. En nu had hij een kans op een contract, bij het profteam van Blanco, voorheen de Rabobank-ploeg. De mogelijkheid op een wielerleven was heel dichtbij, maar daarvoor moest hij wel presteren. Presteren in een moeilijke race, waarin alle goede wielertalenten zich zouden willen laten zien. Dat zou het voor Stefan lastig maken om zich te onderscheiden, maar hij zou er in ieder geval alles aan doen. Hij zou er alles aan doen om zijn droom om profwielrenner te worden werkelijkheid te maken, maar eerst wilde Stefan alle zorgen van zich afdouchen. Hij zette de temperatuur van het water lekker hoog, 45 graden, en liet het water langs zijn lichaam glijden. Het douchen vond hij altijd het hoogtepunt van de voor de rest meestal vreselijke ochtenden. Een heerlijke warmte maakte zich dan van hem meester. Het morgenmaal was al door zijn moeder klaargezet, toen Stefan beneden kwam, en ook het Algemeen Dagblad, dat hij elke ochtend las, lag al bij zijn plek. Hij was er klaar voor, ondanks het verlies van zijn grootmoeder, waaruit hij kracht probeerde te putten voor de koers. En nadat Stefan de krant uitgelezen had en zijn ontbijt op had, fietste hij naar het startpunt van de race, dat immers erg dichtbij zijn huis was gelegd. Vol vertrouwen in een goede afloop.

6. Eenmaal aangekomen kreeg Stefan zijn nummer, 51, opgespeld en reed hij nog wat in op de rollen van zijn team. Hier had hij naar toegeleefd de voorbije weken en nu was het werkelijk zover. Na de teambespreking maakte iedereen zich klaar en reed naar het punt van vertrek. Het startschot klonk, het was begonnen. Stefan werd beschermd door een ploeggenoot, Klaas, die hem was toegewezen als meesterknecht. De twee hadden een goede verstandhouding en hadden al vaker samen gereden in belangrijke koersen, dus de communicatie verliep soepel. De race bestond uit een negentig kilometer lang parcours, met een stuk of zes heuveltjes van gemiddeld twee kilometer per helling. Een paar kilometer voor de eerste glooiing schoven Stefan en Klaas wat naar voren, zodat ze niet verrast konden worden, en alles liep prima. De vlucht van de dag bestond uit een paar onbeduidende aanvallers, zonder specifieke kwaliteiten, die wel teruggehaald zouden worden. Het plan was immers dat twee van Stefan’s ploeggenoten rond kilometer dertig op kop zouden rijden om de achterstand binnen de perken te houden. Na een tijdje zou daar nog een teamgenoot bijkomen en dit zou zo doorgaan tot de laatste klim, want daar begon het voor Stefan. Het was de bedoeling dat Stefan hier in actie zou komen, hij moest daar aanvallen en een gat slaan, zodat hij solo over de streep kon komen. Hoewel de vooruitzichten goed waren, bleek na 65 kilometer dat de vluchters nog wel een erg grote vlucht hadden, een goede drie minuten lagen ze voor op het peloton daarachter. Stefan maakte zich flink zorgen, het ging niet snel genoeg, er moest iets gebeuren. Hij maakte een drastische beslissing, waarvan het nog maar de vraag was, of het een goede zou zijn. Hij zou niet de laatste klim aanvallen, maar de op een na laatste klim. Andere opties waren er niet.

7. Nog vijf kilometer en Stefan zou zijn aanval plaatsen en trachten bij de kopgroep te komen en hieruit daarna ook weg te springen. Hij had in ieder geval genoeg water, daar had zijn ploeggenoot Gerald voor gezorgd. De voorlaatste klim was bereikt. Nu was het zijn beurt, hij moest de verwachtingen waarmaken. En daar ging hij, hij voelde zich goed, de hele dag al. Twee minuten waren te overbruggen, geen onmogelijke opgave, maar hij zou er alles voor moeten geven. Een renner van Accent Jobs – Wanty volgde, die had blijkbaar ook plannen. Hij kende hem al, want hij had al vaker tegen hem gereden. Het was een knokige, slungelige jongen met een goede versnelling, maar zonder al te veel uithoudingsvermogen. Ze draaiden nu met zijn tweeën goed en kwamen al dichterbij de koplopers, die al een lange tijd voor hadden gereden. En zo kwam het dat ze met nog tien kilometer te gaan aan konden sluiten. Stefan had veel energie verspild om erbij te komen, maar stap één van zijn plan was gelukt. Nu hier nog wegkomen. Hij moest echter eerst nog even recupereren en daarvoor had hij precies tijd genoeg, want de laatste helling deed zich voor op vijf kilometer van de streep. Een steile helling, met stukken van misschien wel vijftien procent. Stefan kreeg wat kramp in zijn kuiten, het zou toch niet zo zijn dat hij nu zou moeten afhaken, zo vlak voor de streep? De pijn verbijtend en een laatste slok uit zijn gehavende bidon nemend, bekeek hij zijn medevluchters nog even goed. Stuk voor stuk minderwaardig aan hem. Hij kreeg er weer vertrouwen in en zag zijn kans op één van de steilste vlakken, Stefan sprong weg. Met alle kracht die nog in zijn lijf zat, reed hij naar boven. Naar de finish. De finish, waar zijn moeder hem zou opwachten, en een grote menigte zich had verzameld. Het eindpunt van deze barre tocht, waar ook de ploegleide rvan de Belkin-ploeg stond. De verzuring in zijn benen werd steeds erger, maar hij beet door. Een glorieus moment lag in het verschiet.

8. De weg lag geplaveid voor een overwinningstocht en daar kwam Stefan in zijn eentje de bocht om. Hij had hier alles voor gegeven en het was hem nog gelukt ook, hij zou winnen. Eindelijk had het geluk hem bijgestaan, in een erg belangrijke koers ook nog. Solo reed hij naar de zege, het plan was uitgevoerd, ondanks de obstakels die een droom onvermijdelijk met zich meedraagt. De streep was slordig gekalkt, maar dat maakte hem niet uit, hij lette er niet op. Wel zag Stefan zijn moeder staan, omringd door een menigte mensen, maar toch opvallend. Niet door een felrode jas of blauw haar, wel door de flikkering in haar ogen, het geluk dat zij ook zo ervoer. Een fierheid die alles overtrof had zich van haar meester gemaakt en dat was voor iedereen te zien. “En jawel hoor, dames en heren, Stefan Brouwer, kopman van de jongerenploeg van Team Blanco Cycling komt alleen over de streep, als eerste!”, weerklonk uit de witte speakers. Hij hoorde het echter niet, hij keek vooral naar zijn moeder, een vrouw verscheurd door verdriet en gemis, maar nu trots op haar zoon. Na de wedstrijd fietsten ze samen naar huis. “Je was geweldig”, prees Andrea Brouwer haar zoon weemoedig en trots. Ze was normaal niet zo opgetogen, het was een kalme vrouw die in de zwaarste situaties het hoofd boven water probeerde te houden en kalm poogde te blijven. Stefan hoorde haar lofzang rustig aan, zonder zin om zelf wat te zeggen. “Ik heb die mensen van Belkin horen praten en ze schenen mij zeer positief over jou, niet verwonderlijk ook na zo’n fantastische race.” Stefan kon zijn geluk niet op, maar reageerde niet. Hij wilde dit soort dingen het liefst alleen beleven en zijn emoties toonde hij liever niet. Ze waren thuis en hij ging dan ook gelijk naar boven, naar zijn kamer, waar zijn prijzenkastje een trofee rijker werd.

9. Enkele weken later zat Stefan alleen op zijn kamer computerspelletjes te spelen. Hij was groot fan van wielerspellen, maar hield eveneens van voetbalgames. Terwijl hij hierbij een doelpunt scoorde en juichend opsprong om zijn treffer te vieren, trad Andrea binnen. Zijn moeder keek vergenoegd en had een envelop in haar handen. Een brief van de Belkin-ploeg. Onmiddellijk wist Stefan wat het betekende. Hij griste de brief uit haar handen, plofte neer op zijn bed, scheurde hem open en begon te lezen.

“Geachte Stefan Brouwer,

Het is de ploegleiders van Team Blanco Pro Cycling opgevallen dat u de laatste periode zeer goed en constant presteert. Derhalve zouden wij u willen vragen, of u zich wilt aansluiten bij het profteam van onze ploeg. Hierover heeft u al verschillende gesprekken gehad met de trainers van de amateurploeg en wij zijn ervan overtuigd dat u klaar bent voor deze stap. Binnen enkele dagen zullen wij u nog telefonisch proberen te bereiken om verdere afspraken te maken en wat ons betreft tekent u dan binnen korte tijd een contract voor meerdere jaren.

Hopende u hiermee genoeg geïnformeerd te hebben,

Hoogachtend,

Jan Zweers

Team Blanco Pro Cycling”

Met tranen in zijn ogen las Stefan de brief verschillende malen en toen het dan eindelijk tot hem was doorgedrongen wat hem te wachten stond, legde hij de brief op zijn nachtkastje en haalde eens goed adem. Wat was er toch veel gebeurd en wat had hij veel om over na te denken. Een keuze had hij natuurlijk allang gemaakt, hij zou zijn kans grijpen en keek uit naar het telefoongesprek.

 

Vanwaar de naam Stefan Brouwer? Is een van mijn beste maten.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Volgends mij heeft mijn broer ook een vriend die Stefan Brouwer heet.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Ik snap de gedachtegang van David wel. Ik heb altijd precies hetzelfde. Mijn personage Mark Hendriks bij VVV Venlo is ook een verzonnen persoon, maar er zal ongetwijfeld iemand in Nederland zijn die werkelijk zo heet (en waarschijnlijk zelfs wel meerdere) en hetzelfde geldt voor David Robinson bij Queens Park Rangers. Op het moment dat je 'een gewone man' uit dat land wilt gebruiken als je hoofdpersoon is het vaak logisch dat je een combinatie maakt van een voornaam en een achternaam die beide vrij normaal klinken en zo een echt bestaande persoon kunnen zijn (wat ze vaak ook zijn, getuigende dit voorbeeld van Stefan Brouwer), waardoor het vaak voor de lezers ook makkelijker is om je te visualiseren met een persoon dan wanneer je deze bijvoorbeeld Steve Brievens of Sjors Bierman (beide gebaseerd of Stefan Brouwer :P) zou noemen, waardoor het verhaal ook direct iets realistischer overkomt.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Namen verzinnen en personen een vorm geven is een van de leukste dingen die er zijn :lol:

Share this post


Link to post
Share on other sites

Create an account or sign in to comment

You need to be a member in order to leave a comment

Create an account

Sign up for a new account in our community. It's easy!

Register a new account

Sign in

Already have an account? Sign in here.

Sign In Now

Sign in to follow this