(62) Lotto-Vacansoleil, met kopman Jurgen Van Den Broeck als favoriet voor de eindzege, had al enige tijd met z’n zevenen collectief de beste prestatie geklokt. Dat zou zo ook blijven tot Lete van start ging. De merkbaar hoge concentratie van ons team op het startblok zorgde voor bange gezichten bij de andere ploegleiders. Wij hadden het sterkste team in deze Giro, iedereen vreesde ons om onze polyvalente kwaliteiten. Topklimmer, toptijdrijder en topsprinter. Slechts een enkel team kon ons wat doen op alle fronten: Team Sky. Meteen na het startschot nam Cancellara, in de nadagen van zijn sportieve carrière wegkapitein bij ons, zoals afgesproken de eerste positie in van de rode locomotief. Wij hoefden enkel maar te volgen. De laatste stek kreeg dus ook de aanwezigheid van mij. Terwijl we op de door zon overgoten wegen langs het Gardameer zo’n drie kilometer geen enkele bocht tegenkwamen, draaide onze ploeg al op volle toeren. Met het oog op de eerste flauwe bocht nam Angelo bruusk de koppositie over. Hij dreef zijn snelheid op naar hoge pieken en liet niemand de kans om even op adem te komen. Natuurlijk was het niet zonder reden dat hij zo ostentatief de eerste positie innam. De bocht werd ingezet, en meteen werd het me duidelijk dat mijn remmen niet naar behoren werkte. Het daagde me redelijk snel wie hier achter zat, maar nu stond ik wel voor een lastige keuze. Proberen zo ver mogelijk mee te draaien in de bocht, met een groot risico om ploegmaats mee te nemen in mijn onvermijdbare tuimelperte, of gewoon rechtdoor over de vangrail te denderen. Kiezen voor een gespreide pijn die minder heftig was of een individuele pijn, heel wat harder. Ik verkoos het laatste. Met een vaart van om en bij de 55 kilometer per uur daverde ik het ravijn in. Net daarvoor riep ik de man voor me, Visconti, toe dat mijn remmen dienst weigerden en ik zonder meelei van God een harde smak zou maken. Het Lete Cycling Team eindigde als derde in de ploegentijdrit, maar iedereen, buiten Angelo uiteraard, was meer begaan met mij. Als bij wonder had ik niets gebroken. Enkel een geschaafde rechterflank en veel schrammen. Voor een wielrenner is dat geen blessure, dus zette ik mijn weg daarna meteen verder. Ik verloor in totaal drie en een halve minuut in de ploegentijdrit. ’s Avonds deed ik alles uit de doeken en wees ik Angelo met een ongekende zekerheid aan als dader van deze smerige rotstreek. Aangezien zijn imago al geheel naar de knoppen was werd hij zonder pardon uit de Giro gezet én enkele dagen later ook op non-actief gezet door Reverberi. ‘Gerechtigheid geschied’ noemt men zoiets. Achteraf gezien konden we deze Giro d’Italia 2015 nogal omschrijven als ‘paradoxaal’. Net door dit incident, wat overigens netjes binnenkamers werd gehouden, kon ik verscheidene keren wegrijden in de Apennijnen om mijn achterstand om te buigen. Het leverde me vier dagzeges op, waaronder één op de Scanuppia, die voor het eerst sinds lang in het parcours werd opgenomen. Ik verdeelde en heerste. Eerste achtervolger, de uiterst talentvolle Pierre Rolland van het blauwe luchtteam (Team Sky voor alle duidelijkheid), eindigde op meer dan zes minuten van mijn eerste plaats. Zo won ik, na de Vuelta van 2013, mijn tweede grote ronde met bijzonder veel overschot. Ik werd bejubeld en bespuwd tegelijkertijd, al won de tweede groep mensen meer en meer aan populariteit. Angelo Briatore stapte naar de pers en lanceerde als wraakactie een haatcampagne tegen de gehele Leteploeg voor vermeend dopinggebruik. Enkel ik werd lastiggevallen met een huiszoeking, zonder resultaat evenwel. Mijn Tour hing even aan een zijden draadje, maar doordat er geen enkel bewijs te vinden was kreeg ik groen licht om te starten. Ter voorbereiding van de Tour de France graaide ik alsof het niets was het eindklassement van de Dauphiné Libéré mee, die werd beslecht op de winderige Mont Ventoux. Op de vooravond van de Tourstart in Montbéliard in de Franche-Comte werd ik dan ook aanzien als dé te kloppen man. Dat was vooral te merken in mijn mailbox: de wildgroei aan dreigmails meerbepaald. 99% daarvan was makkelijk te seponeren en te declasseren bij de categorie ‘pure jaloezie’, maar die ene procent, vertegenwoordigd door wie anders dan Angelo, baarde me alweer zorgen. Ondertussen stond hij op straat en was hij wielrenner af, maar hij dreigde me te verwonden tijdens een rit, wanneer ik aan de dranghekkens zou rijden of op een andere, effectieve manier. Herhaalde keren kwam hij met zo’n mail op de proppen. Naar de politie stappen was onmogelijk geworden, aangezien ik wist dat hij niet loog wanneer hij effectief bewijslast had tegen ons collectief dopinggebruik. Vooral tegen mij, Damiano, Francesco en Michele, aangezien wij ook de grote prestaties leverden. Een bewijs tegen een doodnormale knecht, met alle respect, zoals Stortoni zou niet inslaan als een bom in de media natuurlijk. En moesten we wel naar de politie stappen, zou ons leven, en vooral dat van mij, aan een zijden draadje hangen. Angelo’s reputatie werd toen alweer kenbaar gemaakt. Zijn geest was ziek. En hij zou nog een rechtstreeks gevaar vormen voor ons leven ook. Aangedaan door alle herinneringen die terug naar bovenkwamen, legde ik het boek zorgvuldig weer in mijn nachtkastje. Leona sliep al, het was drie uur ’s nachts, het was dus tijd om naar dromenland te gaan. Alleen: het dagboek had nogal veel adrenaline opgewekt. Ik zou pas slapen iets over vier.