(82) In Milaan werd ik prompt aanzien als een rockster op twee wielen. Mijn zege bracht een ongeziene boost met zich mee, die ik me nog niet kon herinneren. Iedereen, of die nu een toevallige passant of een collega-wielrenner was, keek en wees naar mijn richting. De momenten na de aankomst voelde ik al meteen die ongewone spanning in de lucht hangen. Spanning in de positieve betekenis van het woord. Overal gingen de handen op mekaar. Het voelde vreemd, zelfs beangstigend, en toch vertrouwelijk aan. Twee jaar geleden haalde ik het wielrennen door het slop, vandaag haalde ik ze weer naar boven. Ik gedroeg me ook meteen als een rockster. Ik voelde me goed bij de situatie, en liet mijn koersbril met opzet op mijn neus staan. Soort imitatie van Bono. Ik haspelde ieder interview met het nodige cynisme en de nodige humor af. Ik genoot met een kamerbrede glimlach van de mensen die mijn naam scandeerden bij de podiumceremonie. De felicitaties die in het rond vlogen nam ik met veel plezier aan, zelfs van eeuwige rivalen en collega-concurrenten. Ook van Michele, die me ternauwernood de zege had afgepakt. Ik besliste in overleg met Roberto om die avond zelf nog terug te vliegen naar Napels, om daar het enkele daagjes rustig aan te doen, zonder de trainingsuren te verwaarlozen weliswaar. Het volgende objectief stond gepland op 1 april: de Ronde van Vlaanderen. Nu ik toch mijn comeback had gemaakt, kon ik het beter maar meteen goed doen. De volgende zondag werd ik verwacht aan de start in Gent om naar Wevelgem te rijden, in de tussentijd kreeg ik zo tijd om even op adem te komen thuis. Het was twee uur in de nacht toen ik thuis kwam in het duistere Napels. De lantaarnpalen werkten al een eindje niet meer in de straat, en er was geen kat te bespeuren. Niet verwonderlijk aangezien ik niet in de binnenstad woonde, maar het was toch wel frappant. Het contrast met die middag kon niet groter zijn in feite. Daar was alles grotesk, was alles goed, liep alles perfect en was iedereen blij. Hier was het donker, kil en kreeg ik het beklemmende gevoel van eenzaamheid. Het overviel me allemaal. De gedachten die plots in een razend tempo de revue passeerden maakten me loom en zwak. Traag opende ik de voordeur. Alle lichten werden instinctief ontstoken, om toch een iets warmere sfeer te creëren. Dat mislukte. Meer dan ooit besefte ik dat ik als wielrenner eigenlijk twee levens leidde: dat van de hard trainende wielrenner die altijd in harmonie met zijn lichaam hoort te zijn, en dat van de gewone mens met gevoelens. Het laatste jaar verloochende ik het laatste, vooral doordat het eerste bruusk het voorplan nam. Vreemd gevoel. Je werkt een jaar naar je comeback toe. Je maakt alles flexibel voor dat ene doel. En het moment dat je dat ene doel verwezenlijkt, klopt het ogenschijnlijke perfecte plaatje toch niet. Ik miste iemand aan mij zij. Vriendschap. Tederheid. Affectie. Liefde. De vriendschap met Damiano was zoals bekend koeler dan voorheen. Familie had ik niet, tenzij ver, letterlijk en figuurlijk. Mijn wegen scheidden van Leona, zodat ik ook niet in die richting iets kon verwachten. Vreemd genoeg had ik wel nog contact, zij het enkel functioneel om voor Massimo te zorgen zoals nu. Ik ging voor het grote schuifraam staan die het huis een weg naar de verlichte tuin bood, en ik vond mezelf terug in de eenzame regendruppel die een voorbode bleek te zijn op onvervalste regen op het glasraam. De volgende morgen bleef ik gewoon liggen in bed. Ik kon mezelf geen reden geven om toch maar op te staan, om me toch maar te wassen en om toch maar te ontbijten. Vandaag stond er sowieso al geen training gepland, dus kon ik het me wel permitteren. En toch voelde ik dat ik hier zo snel mogelijk voor enkele dagen weg moest. Weg van het status van wielerster. Weg uit de stad die zijn afval geregeld op straat laat verrotten. Weg van de bekendheid. Weg uit mijn omgeving. Ik staarde wel een halfuur naar een klein spinnetje die in cirkels rondom de contouren van het plafond liep en uiteindelijk toch een gaatje vond om weg te glippen. Dat moest iets betekenen. Het banale organisme van de achtpotige spin zette me aan om mijn computer aan te zetten, zonder mijn mails te checken weliswaar, en op internet de site van de Napolitaanse luchthaven op te zoeken. Al snel vond ik een directe vlucht naar Berlijn, random gekozen metropool die me wel aantrok voor zijn historische waarde, in de vooravond aan een spotprijs van 28 euro enkele vlucht. Ook een goedkoop hotelletje, in de buurt van de Alexanderplatz, vormde geen probleem. In totaal drie dagen zou ik slechts 190 euro moeten uitgeven aan mijn verblijf en vlucht naar de Duitse hoofdstad. Na een deugddoend stortbad en een licht havermoutontbijt zocht ik enkele outfits uit om volledig incognito maar toch deftig gekleed in Berlijn te vertoeven. Mijn gsm zou ik hier laten, puur uit principe. Ik voelde dat ik niemand nodig had in Berlijn. Daar zouden er al genoeg mensen zijn. De 75 berichtjes/oproepen die ongelezen op me wachtten bleven ongelezen. Ik belde een taxi, en binnen het uur stond ik op de luchthaven van Napels, bang dat iemand me zou herkennen. Die vrees was nogal ongegrond, aangezien ik met basiskledingstukken als een hoed, een zwarte mantel en een zonnebril mezelf al genoeg onherkenbaar had gemaakt. Enkel mijn gestalte kon me verraden, maar er liepen wel meer kleine Italianen hier rond. Zonder noemenswaardige gebeurtenissen stapte ik vol onzekerheden en vage gedachten het vliegtuig naar Berlijn op, alhoewel. Bij het wachten aan de check-in stond een man me quasi aan te gapen die ik in de verte herkende. Nu, ik kon hem toch niet plaatsen, en liet het snel varen. Toen kon ik nog niet weten wat me allemaal stond op te wachten in de tweede grootste stad van Europa.