(94) De fiets op de rollen was zo’n onding voor de start van de Berlijnse openingstijdrit. Helemaal alleen. Nogal eenzaam. Genoeg ruimte om overpeinzingen te maken, en dat werkte niet bevorderlijk op mijn mentale toestand. Het vormde een muur tussen het rationele en het emotionele denken. Wat moest ik nu doen? Vol door de bochten gaan, met het risico dat er alweer iemand uit het publiek mij tracht ten val te brengen en amper tijd verliezen? Of er een zondagsritje van maken, veel tijd verliezen en de Behr’s geven wat ze wilden? De paranoia sloeg opnieuw toe. Het betrof een lastige keuze. Maar uiteindelijk had ik die keuze eigenlijk al gemaakt op voorhand. Met name op het podium in Lecce, met de Italiaanse tricolore om de schouders. Het was me dan toch gelukt om voor de laatste test te slagen. Eindelijk kon ik vrijuit gaan. Vanaf dat moment maakte ik me iedere ochtend bij het opstaan, bij een toiletbezoek en vlak voor het slapengaan sterk dat ik me niet mocht laten kennen. Ik verloor beide ouders op onnatuurlijke wijze. Ik zal Manuele zijn laatste adem uitblazen. Ik vond de afscheidsbrief van Flavio Demora. Dit alles kon er wel nog bij, maar overtrof al het voorgaande niet. Het sportieve het hoogst in het vaandel dragen was nu het belangrijkste. Alleen: Leona bleef op mijn netvlies gebrand. Arme Leona. Ik moest het dan ook iedere dag ondergaan. Aangezien het een verplicht nummertje was geworden, besliste ik maar om die verbintenis niet uit de weg te gaan. Ieder momentje alleen was een momentje met Leona. Ik stond daar machteloos tegenover. Het kapotslaan van mijn computer zou mij duur komen te staan, wist Martin Behr me te vertellen. Ik nam liever geen risico’s op dat vlak. Dus volgde er een dagelijkse virtuele ontmoeting met de lijdende Leona. En Victoria? Die nam meer en meer afstand van me. Op zo’n subtiele manier dat ik zelf dacht dat het aan mij lag. Natuurlijk hadden we er nooit over gepraat. Het parcours liep over ex-communistische wegen, rijkelijk bezaaid met heerlijk zwaaiende haarspeldbochten. Ideaal voor een jongbloed Cancellara. Vandaag was de Zwitser niet bij machte om een toptijd neer te zetten. Hij diende meer als gids voor mij en voor anderen. Ik diende immers pas als voorlaatste te starten, vlak voor de titelverdediger David Boily. Toen al was duidelijk dat niemand de beste tijdrijder ter wereld, Anton Vorobev, van het geel kon houden. Zelfs Francesco beet zijn tanden stuk op zijn tijd. Als tweede gaf hij drie seconden prijs. De vele bochten nekten het Napolitaans monster. Zijn grote en struise gestalte was niet bepaald een voordeel in de acceleratie. Ook Robert Behr ondervond daar last van. Hij leek wel een vies ruimtemannetje met zijn quasi rechthoekige pot op zijn kop. De dertiende stek op elf seconden van Vorobev was zijn deel. Het voelde aan als het eerste puzzelstukje die op zijn plaats viel in de Behr-episode. Ik klopte hem voor een eerste keer met een achtste plaats, met vier gewonnen seconden. Robert wist dat hij zichzelf eigenlijk buitenspel had gezet door Leona als troefkaart te gebruiken. Haar wat aandoen tijdens de Tour de France zou enkel een ongeziene belangstelling wekken bij de mondiale pers. Zij waren ook niet dom. Robert Behr en Matteo Cutolo waren zowat de moderne versie van Poulidor en Anquetil. Tot nog toe ook in die volgorde. Als mijn ex wat zou overkomen, zou het allemaal wel héél toevallig geweest zijn. Dus bedacht ik een plan om nog tijdens de Tour de France een plan uit te dokteren om ze te grazen te nemen. De tijdbom zou niet eeuwig tikken, in tegenstelling tot de tijd zelf, wat er voor zorgde dat er dan ook geen tijd te verliezen was. Op de eerste rustdag tekende ik alles netjes uit, op een vochtige en hete kamer in Albertville. Op mijn eentje. Aangezien we met negen waren in het team besloot ik als enige alleen te slapen op een kamer. Na de proloog steeg de spanning tussen Behr en mij. Al na dag één smulde de gulzige pers van alle pikante verhalen die er tussen ons ontstonden. Behr’s ploegmaats zorgden meteen voor de nodige olie op het vuur in de latere etappes. Op de lange, rechte weg van Berlijn naar Braunschweig werd het al snel duidelijk dat Robert Behr zijn ploegmaats hadden opgetrommeld om mij ook fysiek uit te schakelen. Mij omsingelen zodat ik geen kant uit kon bijvoorbeeld. Iedere beweging werd nauwgezet opgevolgd en geregistreerd. Langs de kant doken verscheidene keren spandoeken met “LEONA” op, wat tot cynische blikken leidde bij vooral Kacper Gronkiewicz. Ze wisten het verdomme allemaal daar in de Liebherr-ploeg. Eigenlijk zag iedereen in het geelzwarte shirt er de lol van in. Enkel Rick Zabel, net de co-kopman bij Liebherr, was niet opgezet bij de vuile spelletjes die Behr opzette. Hij noemde zijn ploegmaats “naïeve geldwolven”. Klare taal. Robert Behr gebruikte geld écht als pasmunt om mensen aan zijn kant te krijgen. En dat lukte wonderwel. Zelfs renners van andere teams bekeken me met een scheef oog. Het net sloot zich iedere dag weer een beetje meer rondom mij. De enige die zich ietwat verzette tegen de gang van zaken bij mijn eigen ploeg was Damiano. De rest, incluis ploegleider Reverberi, leek wel mee te zeulen met de concurrentie. Een hypocriete en wansmakelijke situatie die als een rijpe puist permanent op ontploffen stond. Maar het barstte maar niet, in tegendeel. Het zette enkel uit. Vier kilometer van de finish, net buiten de heilige drie kilometergrens dus, ontstond er een valpartijtje. Onschuldig dacht iedereen. Voornaamste slachtoffer: den dezen hier. Ik strompelde vier en een kwart minuut later dan het peloton, gedirigeerd door Caleb Ewan, binnen op de Fallersleber Strasse in Braunschweig met een bebloede knie en een linkerschouder die door het medisch team van de Tour de France terug in zijn hol werd geduwd. Vreselijke pijn diende ik te ondergaan. Maar ik zat wel vol van de adrenaline. Waarom? Jan Janevski, letterlijk de negende man bij Liebherr en zodoende eigenlijk overbodig, trapte mij letterlijk van de fiets. Hij offerde zichzelf op door mij van mijn fiets te duwen. Meteen besliste Prud’Homme Janevski uit de wedstrijd te zetten. ’s Avonds volgde er een geniaal stukje theater van de gehele ploeg van Liebherr. Woordvoerder Henrik Magath meende dat Janevski altijd al een psychiatrisch geval was en dat zijzelf niets te maken hadden met die fysieke en mentale aanslag. De zaak werd in de doofpot gestopt, en de organisatie liet de pers verder doorkibbelen en zoeken naar de achtergrond. De vetes tussen het peloton en ikzelf werden alsmaar meer uitgesmeerd in het aparte wereldje. Iedere dag kwam er meer en meer druk op de smalle schouders. Het bleef niet bij die ene valpartij. Richting Besançon, de zesde dag van de Tour, kende ik opnieuw pech. Toevallig alweer vlak voor de boog van de drie kilometer. Markus Rosen, zeker en vast dik betaald door Behr’s brigade, deed ostentatief de deur dicht aan de rechterkant van de nadars. Een valpartij was onvermijdelijk. Deze keer viel de fysieke schade al bij al nog mee, maar mentaal… Ik kookte. Ik bloedde. Mijn mentale weerstand werd uitgerokken door twee uitersten: frustratie, verwekt door een overdosis adrenaline en angst, afkomstig uit een eenzaam en onmachtig gevoel. Ik verloor opnieuw een kleine twee minuten, zodat de achterstand vlak voor de eerste bergrit de dag daarop zes minuten en zeven seconden bedroeg op Robert Behr en de andere kanshebbers voor de eindzege. Een uitzichtloze situatie. Tijd om de wonden te likken was er uiteraard niet. Avoriaz wachtte. De Colombier wachtte. En de ploegmaats wachtten om de ploegentijdrit te beslechtten in en rond Annecy. Op de rustdag in Albertville was mijn achterstand geslonken naar vijf minuten en vijftig seconden. Bergop gaf ik Behr geen enkele meter, en in de ploegentijdrit zette Lete de overwinning naar onze hand. Iets met het gevaar van een gewond dier. Albertville zorgde voor de omschakeling in mijn hoofd. Alles loslaten. Aanvallen in de koers. In de achtergrond een list bedenken om Robert en Martin Behr klein te krijgen. Een onbekende furie diep verborgen in mijzelf kwam naar boven. Ik benutte elke seconde om me op te laden voor morgen. Tegen Parijs moest en zou ik terug onder de mensen zijn qua sportieve prestatie. Vandaag werd ik beschimpt en scheef aangekeken door alles en iedereen. Ploegmaats en collega’s in het algemeen keken niet naar mij om. Ik was altijd al een buitenbeentje, als renner en als persoon, en dat kwam nu tot uiting. Ik ving op dat Robert Behr zichzelf onsterfelijk maakte door vele mensen tegen mij op te zetten. Plots was Behr de grote man. Ook in de pers. “Een strijd die er nooit een geweest is.” Cutolo was verleden tijd. Behr de toekomst. Om daar een einde aan te maken, liefst nog voor Parijs want de tijd tikte en Leona begaf zich nog altijd op extreemgevaarlijk territorium, belde ik een oude kennis. Journalist Nicola Signato. Een meester in het Photoshoppen, een man die een halfuur over een appel kan vertellen, een ongewone sterveling die van zijn pen een verlengstuk maakte van zijn gedachten. Ik leerde hem kennen op het verjaardagsfeest van Leona, ondertussen zeven jaar terug. Een vriend van een vriend van Leona. Ja, zo sociaal was Leona. Ik wist hem binnen te brengen bij ‘Il Mattino’, waarvoor hij me altijd dankbaar is gebleven. Hij stond bij mij in het krijt, en daar maakte ik nu handig gebruik van. Het plan dat ik in grote lijnen had opgesteld zou Nicola in de praktijk omzetten. Het was waterdicht. Tot op het moment dat ik enkele uren na het gesprek met Nicola, die zich zo snel mogelijk naar Frankrijk wilde begeven, opnieuw een zware opdoffer diende te overwinnen.
    • Like
    1