Enjoy. Vers van de pers! (98) Die blik van Behr… Een machinegeweer op zichzelf. Concentratie ten top. Hij waande zich onklopbaar, en zo gedroeg hij zich ook. Zijn killerinstinct kwam naar boven, en dat hadden alle media opgepikt. L’Equipe smulde van deze driestrijd. Ongezien wellicht. De eeuwige tweede Poulidor tegenover Monsieur Chrono Anquetil, of Fignon de student en LeMond de jager, ja dat waren ordinaire bedoeningen in vergelijking met dit. Michael Hepburn, Robert Behr en Matteo Cutolo. En voornamelijk die laatste twee werden in de pers met alle plezier als de twee grote kemphanen naar voorgeschoven. Hepburn, nog altijd de geletruidrager, schimmelde al een gehele Tour. Niemand die naar hem omkeek. Nee. Dit was een puur morele strijd. Beslecht in toeristisch Parijs. Want welke idioot besliste er nu om alle trekpleisters die de Seinestad kent in de tijdrit op te nemen. De Sacré-Coeur op… Een schier onmogelijk opdracht voor mannen met buikjes. Gelukkig bestond het peloton niet bepaald uit ongedisciplineerde bierbuiken, dus raakten we er wel allemaal op via de kinderkopjes. Alleen zorgde de klim voor chaos. Veel chaos. Wie ooit de Sacré-Coeur heeft bezocht zal weten wat ik bedoel. Smal en steil. Toeschouwers werden niet toegelaten, en dat was maar goed ook. Het was al zwaar genoeg; het laveren tussen kasseien die willekeurig werden gelegd. En wat nog meer was: het regende. Je ontzag het al om te starten in dit hondenweer. En dat was zelfs nog eufemistisch uitgedrukt. Parijs werd onderdrukt door de wolkenkracht, die het grote geschut bovenhaalde om mens, dier en plant te voorzien van water. En ook van pijn. Want geef toe: aan een snelheid van om en bij de vijftig kilometer per uur het asfalt likken, daarvoor koerst een wielrenner dus niet. Ideaal weertje dus om er een episch spektakel van te maken. Vorobev, de op drie na laatste in de stand, zette een alles verterende tijd neer en zou de gehele dag op de hotseats mogen vertoeven. Maar dat interesseerde enkel de wielerfanaten. Het leverde me toch wel een voordeel op dat ik als eerste van de grote drie mocht starten. Ook het feit dat de vierde in de stand, de Baskische revelatie van deze Tour Haritz Orbe Urrutia, geen al te beste relatie had met de klok, gaf mij vleugels. De start aan La Défense was werkelijk hartverwarmend. Een legioen van uitregende (wieler)gekken scandeerde voortdurend mijn naam. Alsof ik de nieuwe volksheld was. Men hield van mijn manier van koersen. De vergelijking met Pantani of Vandenbroucke was verrassend dichtbij. Maar ik was completer dan hen. Die nacht haalde ik onbewust het gehele traject telkenmale naar voren, en geen bocht zou mij kunnen verrassen. De tactiek was eenvoudig: zo hard mogelijk trappen op de juiste plaats. Dosering was van levensbelang met die vreselijke Sacré-Coeurklim. Ongezien en eigenlijk totaal niet gemaakt om te koersen, maar wie zijn wij. Zolang het geld maar rolde was ASO tevreden. UCI-voorzitter Voigt heeft zich er meerdere malen over uitgelaten, maar het mocht niet baten. Hoe dan ook: de klim werd mijn redding achteraf gezien. Buitenblad bolwerken was er voor niemand bij, maar ik trapte toch redelijk zwaar doch soepel naar de top. Het was meer klauteren maar kom. Het gros van mijn collega’s kroop werkelijk naar boven. Het was riskant alles op de klim te zetten, maar het rendeerde maximaal: op de top diende Behr al 32 seconden goed te maken. Virtuele koppositie dus. Met lyrische commentatorenpraat als gevolg. De gestroomlijnde Duitse opponent raakte al snel in paniek, en miste op een haar of twee na zijn volgende bocht in de afdaling. Voor Hepburn was het toen al duidelijk dat hij zijn naam niet zou zien op de erelijst. De op papier toch beste tijdrijder van de drie kampte duidelijk met lichamelijke problemen. Waterogen, darmklachten… Enfin: zijn vat was af. Resultaat: een toegift van anderhalve minuut na zo’n acht kilometer. Door het daarbij komende gebrek aan concentratie maakte hij ook nog kennis met de hobbelige weg. Hepburn barste na afloop in tranen uit bij de Australische journalisten. Een verlies van vijf en een halve minuut had hij niet bepaald ingecalculeerd. Hij bleef wel op de derde plaats staan. Het vlakke tweede deel van de tijdrit speelde duidelijk in de kaart van de struise maar aerodynamische Behr, en dat zorgde ervoor dat ik nu moest zorgen voor een mirakel. En hopen dat Behr op zijn bek zou gaan. De wind blies voortdurend in het gezicht, maar daar ondervond Behr beduidend meer last van dan ikzelf. Behr vocht voor iedere meter, maar kwam geen seconden dichterbij. In tegendeel: ik diepte mijn riante voorsprong nog wat uit naar 38 seconden. De in extase verkerende Roberto, die zich in de auto duidelijk amuseerde met beelden van een hopeloze Behr, schreeuwde me de laatste drie kilometer vooruit. Even flirtte de voorgift met de grens van de minuut, maar een moment van onderhuidse onoplettendheid was genoeg om mij van die troon te stoten. Leona… Stel je nu eens voor… Ik kon en wilde het niet geloven, maar Behr was tot alles in staat. Die man was, samen met zijn broer, een genie. Even staarde ik naar het grijze wolkenspel. Dat brak me bijzonder zuur op bij het overschrijden van een zebrapad. Ik viel op mijn rechterzij, sprong als een volleerd gymnast recht en controleerde de fiets. Kettingbreuk. Roberto was in alle staten. De furieuze ploegleider stopte me de nieuwe fiets toe, maar het kwaad was geschied. Behr onderging een metamorfose na het vernemen van het nieuws. Wielrennen zit tussen de oren. Hij vloog werkelijk over de laatste hectometers. En ik? Ik kon opnieuw van nul beginnen. Totaal ontredderd boog ik me nederig naar het stuur. Veertien seconden hield Behr over. Veertien luttele tellen zouden beslissen over goed en kwaad. Dit was zowel de meest excellente als meest onverklaarbare race tegen de klok van mijn leven. Alles leek vanzelf te gaan. Leona stuwde me vooruit. Naar de overwinning. Naar haar dood. Misschien. Daar stak een of andere kracht een ferm stokje voor. ’s Avonds belde Nicola me op. In de nacht van zondag op maandag zouden we vertrekken richting Düsseldorf. Morgenochtend stond het vliegtuig richting Parijs klaar, en hopelijk stonden er ons geen incidenten te wachten na de podiumceremonie. Nicola had het dossier volledig afgewerkt, gevuld met alle video’s, e-mails, foto’s en dergelijke die ik kreeg toegestuurd, had al de buurt daar uitgekamd en was te weten gekomen dat de Behr’s in een doodgewoon rijhuis wonen. Mét kelderruit. Een niet onbelangrijk detail. Operatie “ondergang van de Frankfurterworst” zou binnenkort in werking treden. Maar vooraleer onze missie van start kon gaan stond ik nog voor een levensbedreigend dilemma: spurten of niet. De wielergoden hadden kennelijk een goed gevoel voor humor en creativiteit gekweekt: veertien seconden waren zo weg te vegen met behulp van de bonificaties… Morgen wachtte een koninklijke spurt op de Champs-Elysées. Tegen wellicht Rick Zabel, apostel van Behr. Tegen het ganse peloton. Tegen mijn eigen demonen. Niet spurten betekende opgeven. Behr zou de koers in handen nemen zoals Hitler dat kon met een geheel gebied. Wij zouden marionetten zijn van een Duits schouwspel. Gevangen in onszelf, zonder uitgang. Of de strijd aangaan. Met het risico dat bij Behr de stoppen doorslaan. Leona. Winnen was sterven, verliezen was, tja, eigenlijk ook sterven. Een doorbrekende zon. Een strakke wind. Parijse kinderkopjes. Nervositeit. Een scanderende menigte aan de kant. Het gevecht op leven en dood. Ingrediënten die de slotrit maakten of kraakten. Behr wist het me te vertellen voor aanvang. “D-day hé manneke. Wat gaat het worden: mij laten winnen en zand over je voorbije kuren, of eens die innerlijke liefdesvlam doven? Nasser Tefik is juist aangekomen, en die gaat er sowieso aan. Hoe of wanneer weten we nog niet. Maar hij heeft voor de laatste keer geslapen. En jij gaat je mond houden. Victoria heeft het omerta verbroken, so be it. Zij zal nog wel boeten. Maar als jij wil sterven, moet je vooral je mond voorbij praten. Ik zweeg. Eigen aan het egocentrisch wezen, genoemd: de mens. Vier vroege vogels dachten het razende tempo van het peloton te snel af te zijn. Ests kampioen Mart Poolemaist etaleerde al meerdere keren zijn klasse in deze Tour bergop, maar was toch de motor van het viertal. Tosh Van Der Sande viel daar tegenover dik tegen. In de fysiek zwaardere spurten bergop deemsterde hij weg, en ook op het perfect vlakke parcours kon hij zijn streng niet trekken. Atsuhito Wakasugi, het derde lid dat overbleef van het Shimano Road Team, vierde zijn rode lantaarn in stijl. En Mustapha Romer nam de kroon over van Froome als ambassadeur van het Keniaanse wielrennen. Romer, nog maar 22 jaar oud, diende vooraf als joker als Froome het liet afweten. Chris liet het ook afweten, en Romer maakte daar handig gebruik van om beslag te leggen op de twaalfde stek. Maar alles kwam door Liebherr weer samen. Zabel wilde mij de genadeslag toedienen in de spurt. Of was het de opdracht van Behr? De manier waarop. Dat telde. Niet de uitslagen. Wel de wijze waarop overwinningen worden behaald. Behr vond het eigenlijk nog zo slecht niet dat het zou close zou eindigen tussen ons. Wordt er ook meer over gesproken binnen x aantal jaar. Over die editie waar Cutolo alles deed om Behr te kloppen, maar hij was iets te sterk. Bij het ingaan van de laatste ronde zette Poolemaist nog eens alles op alles. Hij leerde de stiel in Spanje, en trok hard van leer. Van Der Sande was de enige die Mart in het vizier kon houden, Romer en Wakasugi gaven er al snel de brui aan. Met een voorsprong van acht seconden keerden ze een laatste keer aan L’Arc de Triomphe. Het indrukwekkende legioen van Liebherr zette zich resoluut op kop met zes renners. Zelfs Behr wilde nog bijdragen aan de victorie: hij zou het tempo zodanig hoog leggen zodat enkel een topspurter Zabel nog zou kunnen kloppen. Een type Démare, Appollonio of Yates. Maar dat was ik niet. Allround, maar geen topspurter. En toch vocht ik tegen de bierkaai. Tegen beter weten in. Na lang aandringen boog Poolemaist nederig het hoofd, waarna eerst Ciolek en dan, het moet gezegd, indrukwekkende Robert Behr snelheid hoog in het vaandel hield. Op 250 meter van de eindstreep, de streep tussen leven of dood, had ik het wiel van Zabel te pakken, en speelde ik op de verrassing. Net wanneer Behr even de benen stilhield om Zabel de stier los te laten, sprong ik uit het wiel en zocht de linkerkant van de weg op. Daar waar die grote blokken de motards hun parcours afbakenden. Zabel schrok en zijn diesel schoot tergend traag in gang. Een lengte. Zelfs twee lengtes. Op honderd meter van dood en victorie leken ze allebei binnen. Ironisch toch. Al was die dood nog een vraagteken, want misschien waren wij wel sneller om Leona te redden. Of was dat naïef? Het was al genoeg wanneer Martin Behr zich in Düsseldorf bevond. Onvindbaar was die man. En dan: de duivel. Met het lot in zijn handen. Spiersamentrekkingen. Melkzuur. Helse pijnen die enkel met strek –en trekwerk tegen te gaan was. ’s Nachts sloegen ze vaak toe. Maar net nu… Kortom: de krampen kwamen op, en Zabel sloop dichterbij. En daar was niets meer aan te doen. Op zo’n dikke tien meter van de Vittel-boog was het kwaad geschied. Zabel bolde over de streep met een immense vreugde. Behr kon zijn naam bijschrijven op de lange lijst van Tourwinnaars. En ik was dé pechvogel van de voorbije weken. Niet beseffend wat er nu ging gebeuren zocht ik de teambus op, om vijf minuten tot rust te komen. Met mijn hoofd in de handen en een stortvloed aan tranen feliciteerde Behr me met mijn gehoorzaamheid. “Zeer volwassen en intelligent, Matteo”. Na de podiumceremonie brak de hel los. Ja Tefik werd gedood net na het Duitse volkslied. En ja zo’n vijftig aanhangers van Behr, wat natuurlijk niemand wist, brachten ode aan hun leider met de Hitlergroet. En ja, ik kon ontsnappen. Op weg naar het echte slagveld. Düsseldorf zou uitsluitsel brengen inzake de eindwinst in de Tour. Over het verdere verloop van mijn leven tout court. Niet Parijs. Düsseldorf.
    • Like
    1