SteJov

[Fantasie] De Coppi van de Vesuvius

188 posts in this topic

Header-11.png

Proloog

De zwart-witfoto bracht toch een beetje kleur in mijn leven. Die paradox eiste al een tijdje een plaats op in mijn bij wijlen armzalig leventje. Mijn moeder stierf enkele maanden nadat ik vier kaarsjes had uitgeblazen. De last die mijn vader zo op zijn schouders kreeg was ondraaglijk. Hij was daarvoor al een ingetogen iemand, een gebroken man. Mijn vader kende geen glimlach. Enkel bittere ernst. Ontspanning was overbodig, het moest van de inspanning komen. En ik, ik leed daar onder. Nooit had ik het gevoel dat ik echte ouders had.

De zwart-witfoto bracht mijn fantasie in extase. Heroïsche duels werden uitgevochten in mijn hersenkronkels. Uiteindelijk vormde dit mijn levensdoel. In de voetsporen treden van. Op mijn negende kreeg ik mijn eerste fiets van mijn vader, één der enige keren dat hij iets kocht voor me. Vijf jaar later leefde het metalen vehikel nog altijd. De ettelijke kilometers deden hem niet kraken. Hij bolde nog, dat was het belangrijkste. De Vesuvius werd na maanden en maanden keihard werken een trainingsuitje. De actieve vulkaan zat in mijn broekzak. Op sommige dagen beklom ik hem tweemaal, niemand die er iets van afwist. Niemand kende mij, ik kende niemand. Het leek wel of ik de enige persoon was op deze aardbol. Niemand begreep mij, zelfs mijn eigen vader niet. Enkel mijn fiets kende me door en door, en vice versa.

Mijn ogen produceerden een soort stortregen. De tranen vloeiden weer bijzonder rijkelijk, zoals zowat elke avond. Liggend op mijn bed kon ik eindeloos kijken naar een poster die aan het plafond was vastgemaakt van Marco Pantani. Maar in zijn voetsporen treden, op dat moment was dat enkel een utopie. Ik had geen toekomst, geen verleden. Enkel fietsen kon me plezieren, maar de sporadische momenten dat me vader me toesprak meende hij dat in fietsen geen toekomst zat. 'Wielrennen, dat is spelen met je leven. En uiteindelijk verlies je de strijd tegen de natuurelementen toch'. Steun moest ik van zijn kant dus niet verwachten. En zo lag ik, zoals quasi elke pikzwarte avond op mijn bed te huilen, naar Marco kijkend. Metal luisterend. Muziek hielp me mijn emoties te tonen, waar dan ook, hoe hard dan ook. De vele metalelpees van mijn vader werden één voor één grijsgedraaid. Maar ook de sobere rock kon ik wel smaken, al behield ik die voor de mooiere momenten in mijn leven. Ik heb vier jaar lang metal gedraaid... Op je vijftiende hoorde je te genieten van het leven. Kwalijk genoeg had ik daar helemaal de kans niet toe. Geen vrienden, geen familie, niets. Enkel een stalen ros. En met die stalen constructie temde ik een vulkaan. De mens is tot veel in staat.

Enkele dagen geleden kwam ik in contact met een of andere ploegleider bij een provinciale wielerclub. Hij spotte me tijdens mijn bijna dagelijkse beklimming van de Vesuvius. Veel communicatie vond er niet plaats tussen ons beide. Ik sprak met mijn benen. Het beviel de man. Hij beloofde me nog deze week te contacteren. Eindelijk eens iets anders dan die dagelijkse sleur. Ik hoopte zo dat zijn telefoontje een bevestiging was van wat ik wou verkrijgen: een plaatsje in het Napolitaanse wielerteam. Mijn vader wist hier niets van, en dat hield ik zo. Zijn ongezouten mening zou immers een groot obstakel kunnen worden. Maar nu wou ik mijn eigen weg gaan. In afwachting van het verlossend rappel besloot ik mijn ogen dicht te doen, genietend van de akkoorden die de bandleden van Metallica en het meer recentere Ufomammut produceerden. Al de gehele dag lag ik zo op mijn bed. Nog niets gegeten, het was bijna avond geworden. Ik voelde dat er een heuse verandering zat aan te komen in m'n leven, maar hoe verder de uren verstreken, hoe dieper weg die hoop werd verdreven. Ondanks mijn ontmoeting met de ploegleider was ik nog altijd ongelukkig. Bang van het onbekende, bang dat ook deze poging om mijn leven kleur te brengen zou mislukken. 'Op dat niveau zal ik ooit staan'. Ik staarde naar de zwart-witfoto, die weer een beetje kleur bracht op die regenachtige dag.

 

Zo, daar ben ik weer. Mijn langverwacht fantasieverhaal is er eindelijk, die al enkele maanden door mijzelf werd aangekondigd. En deze keer zal het langer draaien dan de voorbije probeersels (Havard Mallström en The Day Everything Changed). In dit verhaal kan je vele verstopte linken vinden, ik hou daar immers van. Linken met het echte leven, personen, data's en nog veel meer. Zelfs in deze eerste post zit er al één in, ben eens benieuwd wie die vindt :). Ik hoop dat jullie er van genieten, ik heb alleszins mijn best gedaan. Het posttempo zal rond de 2 à 3 dagen liggen, voldoende lijkt mij.

Credits header: Sjeroo

Awards:

- Beste overige verhaal september-oktober 2011

- Derde beste verhaal 2011

- Beste niet-PCM-verhaal 2011

- Beste verhalenschrijver 2011

- Beste fantasieverhaal mei-juni 2012

- Beste verhaal mei-juni 2012

- Beste overig verhaal september 2012

- Beste verhalenschrijver 2012

- Beste verhaal 2012

GoudV_zpscb0e8b10.png

Edited by SteJov

Share this post


Link to post
Share on other sites

Inhoudstafel

#entry16584

#entry16585

#entry16586

#entry16587

#entry16588

#entry16589

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(1)

Die geur van verse boterkoeken en een kopje koffie. Fantastisch. Een ochtend kon voor mij niet beter beginnen. Hier in Brugge wisten ze er wel wat van. Spijtig genoeg bleef het bij de geur, want in mijn mond stoppen, dat zou verre van bevorderlijk zijn voor de prestatie vandaag. Ik hield het bij mijn ordinaire rennersvoeding. Ik werd het stilaan moe, maar gelukkig overtuigde de liefde voor de koers me om door te zetten, en dat zou zeker nog vijftien jaar zo blijven. Naast me zaten mijn teammaats. We bespraken de tactiek nog één maal en ik concludeerde dat iedereen zich honderd procent wou geven voor onze kopman. Het moest memorabel geweest zijn, de winnaar hier in ons team. Met de voeten op de grond, maar toch met je hoofd in de wolken. Maar we moesten vooral realistisch blijven. Dit was zo goed als onmogelijk. Zeker met zo'n beer als Cancellara. Gisterenavond sprak ik hem even. Hij gaf me een paar tips en onthulde dat hij morgen rond de Leberg iets zou gaan proberen. Ik stelde zo mijzelf een doel: ik wou zijn aanval nog bewonderen. Het zou al een verdienste zijn, al was ik nu ook geen zwakke schakel in het peloton. Thuis noemden ze me altijd "de nieuwe Coppi". Niet zozeer qua talent, meer voor zijn specialiteiten. In het wegwielrennen ben ik in geen enkele tak top, maar dat is juist mijn kracht. Een allrounder pur sang, die niet bang is om aan de boom te schudden. Wie niet waagt niet wint.

Het was negen uur. Stilaan mocht ik samen met mijn teammakkers het podium bestijgen. Opgemerkt gingen we niet worden, maar toch even die sfeer opsnuiven die bij de grote menigte heerste. En plots nam een rare kwast mijn arm vast. Hij begon te lachen en te brullen tegen het publiek in een brabbeltaaltje. Ik kon er helemaal niets van maken. Ik zwaaide even richting de meute en antwoordde op zijn enige vraag in het Engels. Altijd een talenknobbel gehad, en daar was ik bijzonder trots op. Ik ken niet veel streek-, zelfs landgenoten, die een aantal verschillende talen beheersten. En eindelijk mocht ik beschikken. Die interviewer was een nerd. Die heeft waarschijnlijk niets beters te doen dan alle dagen voor die beeldbuis te hangen. Wanneer ik even later Serguei Ivanov tegen het lijf liep en vroeg wie die spast was, werd mijn vermoeden bevestigd. Een applausmeester, is dat een beroep? Volgens de immer vriendelijke Rus is hij bij het Vlaamse publiek vooral bekend van zijn hilarische filmpjes die in "De Laatste Show" worden getoond. Zie je wel dat hij niets beters heeft te doen dan voor die beeldbuis te hangen. Die verbleef zeker nog bij hotel mama, al is dat geen schande. Ik kende genoeg mensen thuis die in dezelfde situatie zaten. Italië weet je wel.

Grega nam me even apart en stelde voor dat ik zijn meesterknecht van vandaag moest worden. Voor mij was het een teken van erkenning. Ik wist wat ik kon en ik wist dat ik ooit in Meerbeke op het middelste deel van het podium zou staan. Maar dat was toekomstmuziek. Vandaag was een top tien plaats ons doel. Grega kon dat. Ik ook, mits heel veel geluk. Hoe dan ook, ik zou mijn best gaan doen. "Als ik wegval, word jij automatisch kopman'. Maar ik ging daar niet meteen van uit. We hadden nog Simon en eventueel ervaren rot Danilo. Ik als groentje zou zeker niet boven die twee gesteld worden. En toch was dit de afspraak. Simon en Danilo bevestigden even later. "We houden je achter de hand Matteo'. Het vertrouwen deed me goed. Voor het eerst kon ik lachen naar het publiek. Deze stad is dan toch nog niet zo slecht. Misschien was dit het begin van een succesvolle carrière, al moest ik me eerst concentreren op vandaag. Aankomen in Meerbeke was al een prestatie op zich. Maar hongerig zoals ik was wou ik meer. Veel meer.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(2)

Nog zo'n tien minuten en dan konden we de beentjes gaan strekken. De doortocht in Brugge, daar verwachtte ik veel van. Zoveel supporters bijeen voor een wielerwedstrijd! In Italië vind je die niet. Volgens hoe ik de geruchten juist had gehoord stonden er hier minstens vijftienduizend mensen. We zijn blijkbaar allemaal helden, gladiatoren op de fiets. We werden weer opgehemeld alsof we übermenschen waren. Maar vraag maar na, ik was gemaakt van vlees en bloed.

De Vlaamse Leeuw. Ik vond het iets hebben. Je zag dat de mensen trots waren om Vlaming te zijn. Ik had het wel voor zo'n regio's. Thuis in Napels heerste dat gevoel ook. Fierheid. Mijn hart zou altijd rood-geel gekleurd zijn, waar ik ook kon belanden. Er was daar één supporter met zijn vlag die waarschijnlijk de mooiste dag van zijn leven beleefde. Het moest een jongetje van zo'n twaalf jaar geweest zijn. De renner die bij het jongetje stond was Thor Hushovd. De wereldkampioen nam nog even de tijd om het jongetje een handtekening te bezorgen. Je zag zijn oogjes glunderen. Een handtekening van de regenboogtrui. Ik heb nog geen, maar ik ben zeker van plan om eens met Thor te babbelen. Een held is het. Een van mijn grote voorbeelden. En dan moest ik me klaarmaken voor het startschot. Ik heb me laten vertellen dat de burgemeester van Brugge die eer kreeg. Ik nestelde me nog snel naast Grega, kwestie van het lot niet te tarten. En toen begon mijn vuurdoop. Mijn eerste koers bij de profs, en wat voor één!

Ik was Giuseppe Saronni onwaarschijnlijk dankbaar. Ik had nog niets bewezen in het roze-paarse shirt, en toch mocht ik hier 'Vlaanderens Mooiste' rijden. Maar het uitdrukkelijk bedanken was voor later. Het echte werk kon nu gaan beginnen. Grega voelde zich goed. Ik moest werken. Werken tot ik er bij neer viel. Wel pas wanneer het om de knikkers zou gaan. Tot die tijd genoot ik van de massa mensen in 'Het Venetië van het Noorden', en bekeek ik eens wie hier allemaal rondbolde. Chavanel, hallelujah. Zijn benen! Boonen eveneens. Cancellara, dé topfavoriet, maakte lol. Hij mocht dan een beest zijn op de fiets, het bleef ook een mens van vlees en bloed. Het was fascinerend om te zien dat iedereen hier vlijmscherp stond. En ik? Ik moest hier mijn debuut maken. Maar tijd om te lanterfanten was er geenszins. Koersen, dat moest ik doen. Als ik de Vesuvius al ettelijke malen getemd heb, dan waren al deze puistjes in het Vlaamse landschap peanuts. Al maakte ik me toch geen illusies. Ik had al genoeg naar tv gekeken tijdens de Ronde om te zien dat die kasseien verdomd lastig zijn. Bij de jeugd had ik al de Ronde van Vlaanderen gereden. Als nobele onbekende eindigde ik dertiende. Winnaar toen, in 2008, was Gatis Smukulis. Geen sukkelaar. Vandaag reed hij ook in het pak, had ik opgemerkt aan de start.

Ik reed bijna in het gootje aan de rechterkant. Maar geen probleem, ik bolde in het spoor van iemand die ervaring te koop had. Een Noorse beer. Mijn held, of toch één van. Waarom niet eens babbelen? Nu ik hier toch vertoefde! Thor was uitermate vriendelijk, en had even tijd voor me. Ik zag dat hij geconcentreerd moest zijn, een tuimeling was natuurlijk snel gebeurd. Ik vroeg hem enkele tips op die kasseien. '˜Als je voorop rijdt, altijd in het gootje. Anders in het wiel van iemand. Ga het nooit zoeken door alleen op die kasseien te rijden, staat gelijk met zelfmoord.' Veel stak ik er niet van op, dit was logisch. Maar toch. En toen begon hij anekdotes te vertellen. Over Geelong. Hoe hij Gilbert zag wegrijden en zelf niet meer in zijn kansen geloofde. Volgens hem was het een half mirakel dat Philippe nog werd teruggehaald. Maar ja, enkel het resultaat aan de meet telt. Daar kende ik alles van!

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(3)

Sonny moest vandaag gewoon wereldkampioen worden. Dat was ons enige doel in Geelong. De kans dat dit op een massasprint was gering, en aangezien Colbrelli de kwaliteiten had om die tot een goed einde te brengen, moest iedereen in dienst van hem rijden. Ik was zowat de schaduwkopman, de runner-up. En toch, het voelde zuur aan. Sonny was geen vriend. Sonny was een smeerlapje. Ok, fietsen kon hij wondergoed, maar mij kleineren! In de jeugd had ik hem al genoeg verslagen, maar mij beschuldigen van doping, dat ging te ver. Vandaag ging ik dan ook als enige niet werken voor hem. Ik wist dat het problemen kon geven. Twee kampen in één ploeg, nooit goed. Maar de vete tussen ons kon in ons voordeel spelen. Als we mekaar zo graag wilden verslaan, dan konden we de anderen er meteen ook bij nemen zeker?

Werken voor hem zat er dus niet in. Ik verstopte me een beetje in het peloton in de hoop dat ploegleider Bettini me niet meteen zou gaan opmerken. Naïef, achteraf bekeken. Natuurlijk had Paolo me al snel in de gaten. Hij vroeg me wanneer ik even om water ging waarmee ik bezig was. "Het team in de steek laten", voegde hij er nog aan toe. "Ik rijd mijn eigen koers". Hij schrok van mij reactie, en reed nadat ik mijn proviand had aangevuld weg. Vandaag moest en zou ik Sonny verschalken, tot der dood. Ik was de hoop van de Italianen, ze noemden me niet voor niets de nieuwe Coppi. Even later moest ik even lachen wanneer de namen van de twee kopgroepen werd doorgegeven. Benjamin King maakte jacht op! Benjamin King. Een Amerikaan en een Australiër. Moreno zou ook mee zijn. Als hij de kwaliteiten van zijn nonkel mee heeft, dan komt alles in orde. Francesco is een legende in Italië. Nu heb je Cancellara, toen had je Moser. Al zie ik krachtpatser Fabian niet meteen de Giro winnen.

Paolo vroeg voor een laatste keer nadrukkelijk om Sonny te beschermen. "Enkel in de finale, als hij top is. Anders niet". Mijn mening had ik dus al een beetje bijgewerkt, enkel om Paolo te plezieren. We hebben immers een goeie relatie. Hij selecteerde me voor het WK, wat ik niet verwacht had. Mijn seizoen was desastreus, vooral door die vervelende achillespeesblessures. Jongens wat had ik afgezien. Sinds een maand kon ik weer volop mijn ding doen, maar tot dan was het keihard trainen en goed recupereren om er weer bovenop te komen. Bij deze. Mijn kansen waren hier niet schaars. Daarmee, ik ga mijn krachten niet verspelen aan Sonny, want hij zou er toch niets van bakken. En wat als hij als eerste over de streep zou bollen? Dan ben ik de schlemiel. Het getwijfel werd al snel abrupt afgebroken door een bijna hysterische Bettini. Moreno maakte als eenzaat jacht op Benjamin King, de Amerikaan welteverstaan, en kreeg hem stilaan in het vizier. De rest moest passen. Mooie actie van Moreno, maar er zou veel moeten gebeuren moest hij wereldkampioen worden. En dat wist hij zelf ook. Maar hij was nu eenmaal een impulsief type, de eeuwige aanvaller. Vechtlust en lef, dat heeft hij wel geërfd van zijn nonkel. Zeker weten.

Nog zo"n vijftig kilometer kregen we voor de wielen geschoven. Rustig draaide ik rond in de buik van het peloton. Mijn gedachten waren bij Moreno. Hij was de man die alleen op kop reed. King werd gelost, het ging nu tussen het peloton Moser. Ik vreesde voor hem, al deed hoop leven. Wat ook deed hopen was de grimas van Sonny. Hij was niet goed, je zag het. Hij pufte al bij de beklimming van een eerste puist. Wat ging dat worden als het om de knikkers zou gaan? Erg sneu voor mij dan ook dat ik moest werken voor hem. Paolo stelde me geen keuze. Wanneer Moreno opgeraapt werd, was het vooral aan mij om de koers te controleren. Ik hoopte zo dat er geen collega"s waren die geneigd waren om aan te zetten, maar dat was tegen beter in. Natuurlijk trachtten er een paar aan te vallen. Met de gehele ploeg gingen we op de kop sleuren, waarbij ik de meeste meters voor mijn rekening nam. Ik voelde mijn tank leeglopen. Mijn superbenen zou ik niet ten volle kunnen benutten. Spijtig. Alhoewel. Misschien moet Sonny wel lossen wanneer ik eens echt hard doortrek. Maar nee, we begonnen aan de laatste ronde met zo"n dertig man. Daarbij vier Italianen: Massimo Graziato, Sonny, Enrico Battaglin en mijzelf. Om mezelf te profileren als een ideale prof nam ik polshoogte bij Sonny. Hij was beter dan ik verwachtte!

Nog tienduizend meter. De laatste loodjes. Je weet wat ze daarover zeggen. Onnoemelijk zwaar, zeker als je de boel moest controleren. Bij Enrico was het vat er helemaal af, Massimo en ik moesten nu de schaapjes op Sonny"s land houden. Met Massimo had ik wel goed contact. Een goeie jongen. Zijn zelfkennis is onontbeerlijk, hij wist dat hem geen grote toekomst te wachten stond. Of hij moest er serieus voor knokken. Maar knechten zijn ook noodzakelijk. De machine draait pas als alle schakels optimaal werken. Maar als één schakeltje plots breekt, tja. Vraag maar aan Sonny. Hij ging er wel bij liggen zeker. Gewoon, op een recht stuk. Zonder een renner in de buurt, hij reed immers helemaal achteraan. Wanneer ik het doorgespeeld kreeg van Paolo, waren we al op zes kilometer van de streep. Ik rook mijn kans. Pepte Massimo op om nog een paar kilometer op de kop te beuken, en dan zou ik mijn eigen weg gaan. Mijn vat was dan wel bijna leeg, maar de restjes die ik nog overhad waren het meeste waard. Ik tastte nog even uit mijn reservearsenaal, en laadde me op voor een spannende eindsprint. Van links, naar rechts, ik zwermde een beetje rond om een goed wiel te pakken te krijgen. Taylor Phinney leek me de meest aangewezen persoon te zijn. Als hij even grote kwaliteiten had als de grootte van zijn neus, dan zou dat in orde komen. Op een kilometer van het einde zag ik Massimo uitzakken. "Grazie mille", riep ik hem toe. Na de wedstrijd trakteerde ik hem, een gebaar om zijn werk voor mij te compenseren.

Niemand nam resoluut de kop. Het tempo lag dan ook te hoog. Wie hier als eerste aanzette zou wellicht zelfmoord begaan. Op dit lange rechte stuk blies de wind vol in het gezicht. En dan was het zover. Een kangoeroe, in zijn eigen biotoop natuurlijk, zette verschroeiend aan. Ik zag het gevaar, het was immers nog maar tweehonderdvijftig meter, en probeerde op zijn wiel te kleven. Enkele renners deden hetzelfde met mijn wiel. Alles uit de kast halend. Als ik zijn achterwiel te pakken had, was ik wereldkampioen. Maar mijn kast viel om. Al die schokken, hij viel gewoon om. Mijn motor ontplofte, op tweehonderd meter was ik total loss. Stikkapot, helemaal choco. Tegen beter weten in liep ik nog op de trappers, en zag hoe Michael Matthews zich kroonde tot beste belofte. Gedesillusioneerd boog ik het hoofd. Een zesde plaats, daar doe je het niet voor. Ik had een formidabele koers gereden, en had Paolo in mij geloofd, werd ik hier wereldkampioen. Mijn wraak zou zoet zijn. Volgend seizoen zou ik voor eigen succes rijden. Schrijf maar op. Hopelijk op het hoogste niveau!

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(4)

Even dagdromen. In deze fase van de wedstrijd was dat nog gepermitteerd. Spijtig genoeg eindigde het al snel. Grega wou per se het asfalt gaan likken. Spijtig genoeg voor hem liep dat faliekant af. Giuseppe was in alle staten. Grote ontgoocheling, obvious. Ternauwernood moest er een nieuwe kopman aangeduid worden. We waren maar met z'n zessen - we startten immers met zeven man - veel overschot hadden we duidelijk niet. "Matteo!" M'n ploeggenoten waren klaarblijkend zeker van hun stuk, doch Giuseppe was niet overtuigd. Tien minuten werd er gekibbeld over het kopmanschap, waarna er een naam uit de bus viel. Giuseppe vertrouwde mij de macht toe. Alle druk viel nu onherroepelijk op mijn schouders, tijd om die druk om te zetten in energie en kracht. Want die heb je in 'Vlaanderens Mooiste' niet te koop, neem maar van mij aan. Simon werd aangeduid als mijn persoonlijke dirigent. Voor de anderen vier veranderde niet al te veel. Zorgen voor proviand was hun taak, de koers controleren werd toch al gedaan door de grote namen.

Mijn temperament binnenhuids houden was even lastig als een regering vormen in België of je ogen afhouden van een lekker wijf. Onmogelijk dus. Samen met Vanmarcke, Boucher, Bak, Burghardt, Arvesen, Clarke en Amorison vormde ik een mooie outsidermachine. Ploegmaats, naamgenoten (met een heel mooie naam) en vluchtgroep van de dag vormend Sébastien Minard en Sébastien Hinault hielden nog goed stand. Met tien bestonden er opportuniteiten om de favorieten een loer te draaien, maar met nog zeventig kilometer te gaan waren we nog lang niet thuis. Hinault profileerde zich als de wegkapitein van de kopgroep en moedigde iedereen aan om vol door te gaan. Geen tijd te verliezen. Gelukkig was hij er, ik voelde dat ik als nobele onbekende nogal ostentatief genegeerd werd. Dat hoefde niet eens een nadeel te zijn, schrik hadden ze dus niet, al zouden ze het beter wel hebben. Na een kleine tweehonderd kilometer voelden mijn benen nog bijzonder fris. Het was nu zaak om intelligent te koersen en af te wachten, anders pleeg ik gewoon sportieve zelfmoord. Ik kende het parcours niet, maar wist wel dat één der monumenten die in het parcours opgenomen waren in aantocht was. Hinault wist me te vertellen dat de Koppenberg qua stijgingpercentage de lastigste helling vandaag was. Mocht geen probleem zijn, de Koppenberg is een puistje in vergelijking met de Vesuvius. Met veel overmoed draaide ik rechtsaf, klaar om die Koppenberg te temmen.

In zevende positie kon ik gemakkelijk meeglippen in de slipstream van Burghardt, toch kwalitatief de betere in de kopgroep. Ik zat safe, dacht ik toch. Op de kasseitjes gekomen realiseerde ik me dat wie hoog van de toren blaast het doorgaans bekoopt. En wanneer Vanmarcke voorop er de pees oplegde moest ik simpelweg passen. Het was harken tot boven. Het melkzuur spoot al snel in de spieren, alles verkrampte. Helemaal tussen mijn kader hangend kwam ik boven, als laatste van de kopgroep. Enkel Minard was nog enigszins in de buurt, de rest was gaan vliegen. Hoe kon dit gebeuren? De Koppenberg was duidelijk een smeerlapje, wat ik voor de rest van mijn leven niet zou vergeten. Toch stond ik voor een raadsel. Ik voelde me fris, mijn benen waren sterk, en toch werd ik er keihard uitgekletst.

Wijselijk liet ik me inlopen door het peloton. Maar bij de eerste de beste versnelling werd ik er opnieuw uitgebonjourd. De aanmaningen van Giuseppe om door te bijten en niet op te geven vervlogen al snel. Ik stopte aan de kant en gooide furieus mijn fiets aan de kant. Het enige wat ik nu wou, was terug naar Napels te vliegen. Mijn thuis, mijn natuurlijke biotoop. De uitbrander van Giuseppe kon er nog wel bij. Als een vernederde renner, die dacht dat hij de nieuwe Coppi was, stapte ik twee dagen later op het vliegtuig richting Napels.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(5)

Een simpele man op de fiets die een reus als de Vesuvius trachtte te temmen. Een heroïsch beeld was het. De eenzame man, gekrenkt in zijn eer, op zoek naar eerherstel. Op zijn eentje. Sinds ik me terug op Napolitaanse grond bevond had ik elk sociaal contact gemeden. Zelfs van mijn vriendin Leona. Niemand moest in mijn buurt komen, of je ging het geweten hebben. Nu zat ik me de pleuris te rijden op de vernietiger van Pompeii destijds. Ik wist goed genoeg dat ik keihard moest terugslaan, en het was meteen van moeten. Giuseppe belde me nog even vlak voor mijn vlucht om te zeggen dat ik een grote kans verkeken had en in de toekomst niet teveel moet rekenen op geschenken van zijn kant.

De film van de Ronde van Vlaanderen speelde zich herhaaldelijke keren af door mijn goed doorbloede hersenkoker. Vooral dan die Koppenberg. Hoe ironisch toch. Je temde in het verleden ettelijke keren de Vesuvius, maar op de Koppenberg moest je dan de rol lossen wanneer het echt om de knikkers gaat. Maar mij kregen ze niet zo snel klein. Puur uit frustratie en adrenaline bereikte ik het hoogst haalbare punt met de fiets. Op mijn blote knieën nam ik plaats op de grindweg. Het zicht was vanaf dit punt A-D-E-M-B-E-N-E-M-E-N-D. Ik voelde me op dat ogenblik een beetje God, maar de realiteit was helemaal anders. Ik was maar een simpele renner, die leed onder hoogmoedigheid.

Wanneer je naar boven gaat, zit er niets anders op dan ook weer naar beneden te daveren. Met een razende vaart liet ik me meevoeren naar beneden. Who cares als ik nu in het ravijn vloog. Niet teveel mensen gaven om me. Een jeugd waar ik amper goeie herinneringen aan had overgehouden had daar een groot aandeel in. Door mijn grootvader nota bene. Raffaele Cutolo (de vader van mijn vader, hint hint), de charismatische leider van de Camorra (de Napolitaanse maffia voor alle duidelijkheid)... Natuurlijk werd ik daar in mijn kindertijd mee gepest. Mijn klasgenootjes waren niet bang, dat allesbehalve. Quasi heel mijn jeugd stond in het teken van mijn opa's kwalijke bedoelingen. Ik leed er zwaar onder, maar ene Fausto Coppi deed me dromen. Dromen over de heroïek van de wielersport. Ik had een groteske verzameling over Coppi. Door zijn te vermijden en vreemde dood in Opper-Volta werd Fausto een soort mythe. Net als Pantani, de man die in mijn ogen het verlengstuk werd van Coppi. Voor mij, twee mythische goden.

Pas wanneer ik me aansloot bij de belangrijkste Napolitaanse wielerclub kon ik mijn nieuw leven aanvatten. Nu had ik tenminste vrienden. Echte vrienden. Sinds mijn achttiende levensjaar stond mijn gehele leven in het teken van de koers. School had ik met een blij hartje vaarwel gezegd. Intelligent was ik wel, maar dat werd niet in mijn schoolpunten weerspiegeld. Voornamelijk omdat het schoolgebeuren me geen moer interesseerde. Bij de Napolitaanse wielerclub werd er een echte vriendengroep gevormd. Francesco Montella, Damiano Cranello, Michele Scanti en Manuele Constantini waren de namen. Allemaal rasechte Napolitanen, net als ik. Maar na een incident veranderde de sfeer in de gehele ploeg. Er werden clans gevormd, die eind 2009 voor een breuk zorgden intern. We gingen elk onze eigen weg, doch ons groepje van vijf bleef recht. We spraken nog geregeld af, en gezamenlijk trainingen waren wekelijkse kost. Als we meededen aan wedstrijden waren we altijd concurrenten, wat zorgde voor die extra druk, maar ook een leuke strijd tijdens de koers. We namen mekaar zelfs mee in de slipstream waar nodig. Onze band was onbreekbaar. Dachten we.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(6)

Niets leek een prachtige dag in de weg te staan. De zon brandde op onze huid, de zonnebrillen weerkaatsten het licht permanent. Het kwik steeg toch naar een dikke dertig graden, maar voor ons Italianen was dat absoluut geen probleem. De "Squadra" was er klaar voor, hier in Napels. Napels was het strijdtoneel vandaag voor een landencriterium voor beloften. Italië mocht zeven renners afvaardigen. Onze kliek, met Francesco, Damiano, Michele, Manuele en ik, was voltallig. Sonny Colbrelli en Leonardo Moser vervoegden ons, al was het parcours gemaakt voor de echte puncheurs.

Met een beetje geluk was dit een springplank naar hogerop. Vele ploegleiders van grote teams kwamen kijken, hier was er altijd wel een talent te spotten. Zelfs de trotse Italiaanse kampioen Pozzato was van de partij. Het gaf meteen de toekomstperspectieven aan die deze wedstrijd met zich mee kon brengen. Ploegleider van de 'Squadra' was vandaag voor de gelegenheid Mario Cipollini. Een commerciële stunt. Hij werd bijgestaan door routinier Franco Ballerini, wat ons toch enigszins geruststelde. Ballerini kende zijn vak door en door, een geboren wielerfanaat. Vanmorgen bij het ontbijt sprak Franco ons toe. Zijn tactisch plan was simpel, aangezien we de wedstrijd moesten dragen. Iemand mee laten glippen met de vroege vlucht en mij met alle manschappen laten beschermen. Ik was dé onbetwistbare kopman van die dag. Manuele zou normaal gezien de laatste overblijvende knecht moeten zijn. Hopelijk kon ik dan op de steile vijf kilometer lange klim, na acht keer die getemd te hebben, als eerste bovenkomen. Het zou mij in alle facetten een enorme boost geven.

De officiële start werkte als een rode lap op een stier. Een Colombiaan muisde er al snel vanonder, enkel Francesco Montella volgde. Opdracht geslaagd, de vroege vlucht was gevormd. Francesco liet Sergio Henao, zijn medecompagnon vooraan, het kopwerk doen bergop. Francesco legde er daarna telkens de pees op wanneer de weg geen hoogtemeters maakte. In totaal moesten er acht rondes doorstaan worden van achttien kilometer, met één enkele klim van om en bij de vijf kilometer. Franco lieten mijn andere ploegmaats werken wanneer de vlucht wachtte op hun executie. Zo troepte het uitgedunde peloton van zo'n dertig man anderhalve ronde voor het einde samen. Ik had enkel nog Damiano, Michele en Manuele aan mijn zijde. Francesco gaf meteen op nadat hij werd opgeslorpt door de elitegroep.

De voorlaatste beklimming van de col werd het startsein om volle bak te gaan voor de renners. Peter Sagan gooide de knuppel al te vluchtig in het hoenderhok. Hij kwam zichzelf al snel tegen. Ook de poging van Eritreër Teklehaimot draaide op niets uit. Damiano en Michele hielden alles mooi bij elkaar, ze reduceerden de groep tot negen man op de top van de klim. Daarbij vier Italianen dus, want Manuele draaide ook nog gezwind mee. Belangrijkste belagers zouden wellicht Sicard en Silin worden. Manuele besloot om mij veilig naar beneden te brengen via de gevaarlijke afdaling van de col. Enkele blinde bochten hadden die dag nog niet voor valpartijen gezorgd, maar nu de snelheid en de risico's rechtevenredig toenamen, was een gids geen overbodige luxe. Ik nestelde me in Manuele's wiel. Damiano bewees me een dienst door het gat te laten vallen achter ons, zodat we even een voorsprong hadden. Bijna beneden gekomen moesten we nog één risicovolle bocht nemen. Manuele trachtte via rechts de bocht aan te snijden, maar schatte het vervolg volledig verkeerd in. Via de vangrail denderde hij enkele meters naar beneden. In al mijn onoplettendheid, verstrooidheid was nu eenmaal een slechte karaktertrek van me, kon ik Manuele's fiets niet meer ontwijken. Ik kon me nog net vastklampen aan de vangrail, terwijl mijn fiets dezelfde route naar beneden nam als Manuele. Ik klauterde naar boven, en zag meteen de ernst van de situatie in. Manuele lag roerloos tussen de bomen en het struikgewas, enkele meters dieper dan waar ik me bevond. Enkele motards stopten om de schade op te meten, maar ook zij stonden machteloos. In een fractie van een seconde drong alles tot me door. Een spontane huilbui werd opgemerkt door Franco, die net stopte aan de andere kant van de weg. Enkele tellen later stonden de ambulanciers al klaar om Manuele uit zijn benarde situatie te halen. Terwijl hij naar boven werd gehesen, pakte Franco me stevig vast. Hij wist waarmee hij bezig was. Ik stond met mijn rug gedraaid richting Manuele, wiens gezicht onherkenbaar bewerkt was geworden. Balancerend tussen hoop en realiteit stapte ik in de volgauto. Niets was alles wat er gezegd werd. Het was meer telepathische communicatie tussen Franco, de mecanicien Lorenzo en mij. We wisten dat we alle drie hetzelfde dachten en vreesden. Het bericht dat Michele als eerste de meet overschreed na een puike solo ging helemaal aan ons voorbij. Nadat wij aankwamen verbaasde Michele zich erover dat het muisstil was aan de andere kant van het oortje. Met één blik van mijn kant wist hij genoeg. Hij bevond zich immers op de eerste rij toen Manuele het ravijn in dook.

Aangekomen in het hotel namen we plaats in de bar, waar normaliter de gezelligheid troef is. Die werd door onze aanwezigheid omgezet in een kille, sombere sfeer. Met de gehele entourage en het gehele team barstten we met z'n allen in tranen uit. Zonder maar ook één woord gezegd te hebben sinds de finish. Een enkele blik richting de naar binnenwandelende Franco was genoeg. Het was de stilte die, opnieuw, alles zei.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(7)

De thuiskomst was nogal grauw. Helemaal alleen in een kil huis. Ik verschalkte net de stortbui die buiten zou plaatsvinden. Nu nog een beetje sfeer creëren, want daar had ik echt wel nood aan. De herinneringen aan de talloze sombere avonden op mijn bed in het ouderlijk huis kwamen naar boven. Leona zou pas binnen dit en drie uur naar huis keren. Ik wou ook niet dat ze vroeger thuiskwam, even acclimatiseren, want dit was absoluut niet het plan. Ik legde een fijne plaat op van Radiohead en plofte, met een kopje koffie in de rechterhand, in de zetel die nog altijd rook naar nieuw leder.

Ik dacht na. Mijn hersenen pijnigen was het meer. Eenzaamheid, nutteloos voelen... Het waren maar enkele emoties die hier perfect van toepassing waren. Hoe hard Leona ook haar best deed, ze kon niet op haar eentje mijn zowat chronische eenzaamheid verdringen. Daarvoor zag ik haar veel te weinig. Ze was twee jaar jonger en studeerde aan de Universiteit van Napels literatuur, al zou ze volgend jaar meer van thuis uit kunnen werken. Het schrijven zat in haar vingers, dat was wel duidelijk. Ze was bezig aan een kortverhaal, op haar eenentwintigste... Een natuurtalent, en dat werd ook van mij gezegd. Maar nu het er echt om deed, faalde ik. Hoogmoed komt voor de val zeker? Hoe dan ook, ik kon veel beter. Ik werd op straat hier in Napels nog altijd aangesproken als "De Coppi van de Vesuvius", een titel die me er keer op keer doet aan denken dat ik bijzonder was. In de jeugd was ik heilig voor de bevolking, werd ik op handen gedragen als een toekomstige god. Ik reeg de zeges aan elkaar, een grote toekomst stond me te wachten. Maar nu had ik niets meer. Giuseppe Saronni heeft me al opzijgeschoven voor een tijdje. Medegedeeld per sms. Tijdelijke werkloosheid, ook in de koers kan het.

Leona kwam thuis. Kon ik horen aan de deur die altijd sleepte op de grond bij het opengaan. Instinctief slenterde ik richting de voordeur, met een bos bloemen in de hand. Haastig gekocht in de luchthaven weliswaar, maar het was de attentie die telt. Maar toen ik Leona zag, viel mijn mond helemaal open. Naast haar stonden drie bekenden. Heel bekenden... Het moest zowat zes maanden geleden zijn dat ik Francesco, Michele en Damiano nog terugkwam. Zoals echte Italianen gaven we mekaar een kus, en een dikke knuffel. Leona maakte zich snel uit de voeten om iets te gaan koken, er moest immers bijgepraat worden en dat kon nog heel lang duren. Ons groepje was weer compleet. Wat ze hier deden, ik had totaal geen idee. Leona legde uit dat ze hen al enkele weken geleden vroeg om in onze villa te gaan wonen, aangezien ze geen onderdak vonden in de buurt. Ze reden alle drie nog als elite zonder contract, maar daar zou voor alle drie in augustus verandering in komen. Francesco vertelde me dat Igor Poberyy, de algemeen directeur van Farnese Vini-Neri Sottoli, hem had gecontacteerd. Damiano en Michele sprongen makkelijk in de conversatie met Damiano. Damiano vertelde hetzelfde, maar dan voor een ander team: Colnago-CSF Inox. Ook Michele zou makkelijk onderdak kunnen vinden bij De Rose-Ceramica Flaminia.

Mijn hemel klaarde weer helemaal op. Het driedubbel goed nieuws toverde een glimlach op mijn gezicht. Om alle drie de ploegleiders te overtuigen van de kwaliteiten, besloten we met z'n allen dagelijks te gaan trainen. Alles was al perfect geregeld door Leona: de verhuiswagen had daarnet alle spullen van de drie anderen komen brengen. Geld kan de dingen toch vergemakkelijken, hoe je het ook draait of keert. Leona's ouders waren steenrijke advocaten, maar trachtten Leona een zo normaal mogelijke opvoeding te geven. Missie geslaagd, van een dikke nek was absoluut geen sprake. Nadat de klok aangaf dat we al twee uur in de volgende dag leefden, zochten we onze nachtrust op. Maar nu we allemaal weer herenigd waren, was het tijd voor een bijzonder ritueel. Met een jaar vertraging installeerden we een plaatsje voor Manuele. Een kussen met daarop een foto, omringd door kaarsen en een tekstje door Leona geschreven. Met een gerust en tevreden hart namen we een ticket richting dromenland. Ik had plots weer de energie gevonden om er terug vol tegenaan te gaan. Ik had immers wat goed te maken tegenover Giuseppe en mijn ploegmaats...

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(8)

Met veel kracht zette ik de andere drie zwaar onder druk. Normaliter was Michele de betere klimmer, maar vandaag moest hij al snel lossen op de flanken van de Vesuvius. Het trainingsuitje draaide dus uit op een wedstrijdje, waarbij ik de rest simpel uit het wiel reed. Enkel Damiano spartelde wat tegen, maar ik kwam als eerste boven. Als beloning kreeg ik een kus van de juf en bier. Jaja, ook Italianen dronken af en toe eens een biertje.

De wind produceerde het meeste geluid op deze zonovergoten middag, al voorspelde men gedonder deze middag, wat zich ook uitte in de verte. Het was muis- en muisstil. Alle vijf zaten we daar, totaal verslagen. Het mag dan meer dan een jaar geleden zijn, de dood van Manuele zal voor altijd een rode draad door ons leven zijn. Ook Leona had het moeilijk, omdat ze vooral mij zwaar geëmotioneerd zag wegdromen. De tranen rolden over onze wangen. Francesco nam even later de benen. Mentaal was hij iets te gemakkelijk te kraken. Tien minuten later vertrokken Damiano en Michele. Maar ik was nog altijd dusdanig onder de indruk van de omstandigheden. Ook Leona, maar zij nam het wijselijk besluit om mij even alleen te laten. Ze omhelsde me innig, een gevoel van warmte die ik goed kon gebruiken.

De dreigende wolken kwamen mijn richting aangeblazen. Tien minuten had ik zelf voor een stortvlaag van tranen gezorgd, maar de zwarte wolken die er aankwamen waren van een ander kaliber. Ik raapte mijn moed bijeen, nam het licht regenjasje dat Leona mij gaf vlak voor ze weer terugging naar huis, en kroop terug op mijn fiets. De Vesuvius kent niet veel bochten, maar op één stuk moeten er toch enkele scherpe bochten getemd worden. Maar veel haast maakte ik niet. Ik daalde naar beneden in een soort emotionele trance. De nattigheid die de plenzende regen veroorzaakte voelde ik niet eens. De film van het ongeluk spookte ettelijke keren door mijn hoofd, maar snel werd ik uit mijn trance gerukt. Bijna verloor ik de controle over mijn stuur in een flauwe bocht door het natte wegdek. Mijn reddend manoeuvre was geen seconde te vroeg ingezet. En dan denk je: ik heb mijn lesje geleerd... Niets van. In de eerste de beste bocht ga ik hard onderuit. En deze keer kwam er wel schade bij te kijken. Een heroïsch beeld was het: liggend in de kiezelsteentjes in de berm, geteisterd door de met bakken uit de lucht vallende regen en intense pijnen rond mijn nek en rug. Ik trachtte meermaals recht te staan, maar het leek wel of mijn zenuwen dienst weigerden. Van pure wanhoop en paniek begon ik bijna te hyperventileren. De pijn werkte verdovend op alles en nog wat, en ik werd niet eens gewaar dat Leona mij vond na een uur daar geleden te hebben. In totale paniek bracht Leona mij naar het hospitaal. Mijn lichaamstemperatuur was ook nog eens gezakt tot een punt dat het stilaan riskant begon te worden. Het was amper negen graden geworden op een bijzonder korte tijdsspanne, en met die regen... Het mocht dan nog begin mei zijn, het voelde aan als winter.

Toen ik wakker werd had ik meteen door dat dit geen vertrouwde situatie was. Leona zat naast me met Damiano en Michele op een oubollige bruinkleurige fauteuil. De kamer was krap, maar voor mij alleen was het goed te doen. Ik snapte er niets van, maar even later kwam de dokter binnengestapt. Het verdict was hard: sleutelbeenbreuk, minstens vier weken uit roulatie. Mijn volgend doel was het Italiaans kampioenschap in Aci Catena, een parcours op maat gesneden van een renner als ik. Maar dat doel zou wel snel eens aan flarden kunnen geslagen worden. De dokter verzekerde me dat alles weer perfect in orde komt, maar dat ik tegen eind juni nog niet klaar zou zijn voor topsport. Een bittere pil om slikken, maar terugslaan zou ik zeker en vast. De dag zelf nog besloot ik om de wielerkalender die we van Giuseppe kregen eens grondig te doorzoeken. Op zoek naar een nieuw doel. Zo gedreven was ik. Ik moest en zou de nieuwe Coppi worden. Een sleutelbeenbreuk ging mij niet dwarsbomen. Een dag later werd ik ontslagen uit het ziekenhuis, waarna ik enkele dagen lag te schimmelen in de zetel. Wel goed gesoigneerd door Leona. Een fantastische meid was het!

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(9)

De blik van Luca sprak boekdelen. De oude krijger zag het wel eens zitten om aan de boom te schudden. Het was nu nog maar afwachten of de andere zes ook zouden kunnen volgen. Ik alleszins wel, het moest gewoon. De benen zaten toch nog redelijk fris, en dat na honderddertig kilometer in de aanval. Toen het even steil omhoog ging, trapte Mazzanti een moment stevig door. In het gootje legde hij het tempo iets hoger, maar genoeg om Bertolini en Peterson te doen kraken. Ik liet eerst even het gat vallen, om dan in te pikken en dus ook te vertrouwen op Bakelants. Terecht, Jan deed het uitstekend. De steile meters waren voor even achter de rug. Tijd om uit te blazen was er niet, met z'n zessen moesten we gewoon die drie minuten bonus op het peloton handhaven. Ik, Luca, Jan, Pierpaolo De Negri, Peter Stetina en Marcel Wyss. Leuke kopgroep, en met nog een dikke vijfentwintig kilometer voor de boeg waren we niet geheel kansloos.

Dit zijn zo van die wedstrijden die verschrikkelijk pijn kunnen doen. Op en neer, en amper tijd om even uit te blazen. Zeker als je dan met zo'n kwalitatieve kopgroep voorop zat, en een riante bonus had. Het was nu vooral zaak om samen te werken en eventueel de zwakke schakels genadeloos overboord te gooien. Pierpaolo kreeg als eerste die wisselvallige eer. Bakelants ging even "en danseuse" een klein heuveltje op, en dat op buitenblad. Ik kon me al snel vastklampen aan zijn wiel, maar zo'n inspanningen kon ik me nu niet teveel meer permitteren. Ik voelde me in het rood gaan. Het melkzuur begon ook mee te spelen in de kuiten, het was nu vooral zaak om verstandig te koersen. Recupereren waar het kan, al was dat relatief. Van vijf seconden de benen stil te houden ga je heus niet sneller en langer kunnen koersen. Psychologisch was die redelijk grote voorsprong een voordeel. De opportuniteit om een zege mee te pikken zo laat op het seizoen was er, en dat besef was er bij ons vijven genoeg. Jammer genoeg kreeg die mentale opkikker een fikse knauw wanneer Giuseppe door mijn oortje bruusk te keer gaat. "Cataldo met een aanval, serieuze panache zit daar achter! Enkel Fuglsang, Martens en Daniele (Pietropolli) kunnen enigszins aanklampen. Wees op jullie hoede, de voorsprong zal met de seconde smelten voor de zon'!

Het was nog waar ook. Op veertien kilometer van de streep bedroeg de voorsprong amper 50 seconden meer. Ofwel parkeerden wij volledig, maar dat viertal was toch van bijzonder goeie makelij. Allemaal met buskruit in de benen, waarvan er drie van de vier toch een stevig eindschot ter beschikking hadden. Aangezien ik een vrije rol had gekregen van Giuseppe veranderde mijn persoonlijke tactiek al snel. Anticiperen! Het was het enige dat in me opkwam, en vier kilometer verderop zette ik de theorie om in de praktijk. Enfin, ik deed een poging. Ik sprong uit het wiel van Stetina die op kop aan het sleuren was, en maakte al snel enkele meters winst. Enkel Bakelants had meteen een antwoord klaar, maar de jonge Belg had alle moeite van de wereld om in mijn wiel te gaan hangen. Luca gaf er meteen de brui aan, Stetina en Wyss spartelden nog eventjes tegen, maar het was uitstel van executie. Jan harkte zich in mijn wiel en bleef in de korte afdaling ook zitten. Gelukkig was hij gewillig om over te nemen. Hij kon het immers ook niet maken om zijn benen stil te houden. Met een voorsprong van een halve minuut begonnen we aan de laatste tien kilometer, en die duurde zo immens lang.

De kracht die Daniele uitstraalde was fenomenaal. Cataldo, Martens en Fuglsang moesten alles op alles zetten om in de slipstream te blijven, en wij konden er maar naar kijken. "Toch maar proberen', zei Jan tegen me. Ik verstond er geen jota van, maar al snel werd ik zijn bedoelingen gewaar. Jan zette zich op rechts en plooide zich helemaal tussen zijn kader om toch maar voorin te geraken. Bakelants kraakte even later toch, maar ik slaagde wel in zijn bedoelingen: aansluiten. Ik profiteerde van de tempoverlaging voorin. Daniele legde de snelheid iets lager, zeer snugger, hij wist natuurlijk dat ik nog zou kunnen helpen in die laatste drie kilometer. Voor ik het goed en wel besefte zat ik voorop, misschien wel drie kilometer van mijn eerste profzege verwijderd. En dan kwam die ontembare winnaarmentaliteit weer naar boven in Matteo Cutolo. Kijk, zelfs al het karakter in de koers als dat van Fausto Coppi geweest"¦ Ik sprak al mijn acteertalent aan, en deed alsof ik piepedood zat, klaar om er definitief mee te kappen. Ok, ik zat echt aan mijn limiet, maar er nog niet over. Ik had nog wel iets in die reservetank zitten. Zo kon ik nog even rondbollen als vijfde wiel van de wagen. En zo rook ik mijn kans op vijfhonderd meter van de streep. Het tempo lag laag, van achteren uit kwam er niet meteen rechtstreeks gevaar, en de laatste meters waren biljartvlak. De wind kwam schuin van achter, een gelukje. Ik slingerde mezelf naar de andere helft van het wegdek, en gooide meteen alles in de strijd om als eerste over de streep te komen. Uit mijn ooghoek zag ik de vertwijfeling bij Fuglsang, Cataldo en Martens, wat me een boost gaf. Ik plaatste mijn armen comfortabel, of wat je het nog kan noemen op het einde van zo'n slopende koers, op mijn stuur, en stevende in een hoek van bijna honderdtachtig graden af naar mijn roemruchte startschot van de carrière die ik voor ogen had.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(10)

Iedere pedaalslag voelde aan als een niet te evenaren pijn. Iedere keer werden mijn benen afgesneden, maar ik bleef maar trappen. Volledig à bloc, natuurlijk. Het bord dat aangaf dat ik begonnen was aan de laatste vierhonderd meter werd geen blik gegund. Verstand op nul, en trappen. De verzuring en de krampen die mijn kuiten teisterden kwamen meer en meer op het voorplan en blokkeerden telkens weer de motor. Maar ik moest door gaan. Vooral voor mezelf. Dit kon een nieuw begin betekenen.

Het bordje met de "200" werkte langs de ene kant als een rode lap op een stier, maar langs de andere kant leek die tunnel zo e-i-n-d-e-l-o-o-s lang te wezen. Enkele seconden later was alles aan diggelen geslagen, voor mijzelf toch. Daniele rukte zich los van de anderen maar kreeg er Cataldo maar niet af. Dario haalde nog een laatste cartouche boven vlak voor de meet en haalde het. Daniele werd nipt tweede, Fuglsang vervolledigde dat podium. Totaal van de kaart kwam ik aan. Ik viel letterlijk van mijn fiets en begon werkelijk bloed te spuwen. Vreselijke inspanning. Zo diep was ik nog nooit gegaan, en dat voor een vijfde plaats... Helemaal knock-out bleef ik twee minuten liggen. Daniele kwam bij me zitten, en riep met veel gesticulatie : "grazie." Moest ik de kracht gehad hebben, ik greep hem bij de keel en trachtte alles te breken wat hij in zijn lijf zitten had. Die hypocriete klootzak hypothekeerde op deze manier mijn kans op een zege. Toen ik opnieuw op mijn positieve was gekomen, bekeek ik via de monitor van een toevallig voorbij wandelende journalist de eindsprint. Daarin was duidelijk te zien dat Daniele mij gebruikte als springplank om zelf te winnen. Reageerde hij niet, dan was die zege voor mij, want het verschil was al goed gegroeid, en kon Daniele uit het wiel komen van zijn concurrenten. Ik voelde me zwaar gebruikt, en stapte eerst naar Giuseppe toe om mijn beklag te doen. Giuseppe deed zoals de laatste maanden bijzonder bot tegen me. "Daniele was kopman, jij bent maar een simpel knechtje. Als je echt zo sterk was, won je vandaag simpelweg." Met een krachtige vuistslag op de carrosserie van de ploegwagen waar Giuseppe even in uitblies liet ik duidelijk blijken wat ik van deze situatie vond. Later op die avond kreeg ik twee mails. Een standaardmail van de organisatie van de GP Beghilli en een persoonlijke van Giuseppe. Ik hield mijn smartphone met ware Parkinsonhanden vast, vrezend voor het ergste.

Redelijk laat op de avond kwam ik terug thuis. Het was bijna middernacht, en na een vlucht van twee uur vanuit Bologna, de aankomstplaats van de GP Beghelli, moest ik even bekomen van alle emoties van de dag. De mail van Giuseppe had ik met opzet nog niet opengezet, en daar kwam het ook niet meteen van. Leona was nog wakker en zette een warme kop thee voor me klaar. "Wat je ook doet schat, ik sta achter je." Haar woorden waren nog niet koud of ik nam ze stevig vast. Die liefdevolle warmte die ontstaat, die magie... Niemand kon die nabootsen of beschrijven. Het gelukzalige gevoel dat me overkwam viel misschien te vergelijken met een bergbeklimmer die na enkele zware weken eindelijk zijn top bereikte. Als God op aarde. Even later kwamen Damiano en Michele uit de keuken goeiedag zeggen. Ze hadden de beelden bekeken en zagen dat ik mijn beste niveau terug haalde, met bijna mijn eerste zege als resultaat. Alleen moest ene Daniele Pietropolli daar een stokje voor steken. Francesco zou ik niet te zien krijgen. Hij bevindt zich al de gehele dag tussen zetel en wc. Zijn darmen doen nogal lastig... "Zo is de dader van die slecht riekende geur ook bekend", zei ik met een smalend lachje richting Francesco die even de deur op een kiertje had gezet. Hij trok de deur snel weer dicht.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(11)

Het ontslag kwam bijzonder hard aan, vooral het cynisme waarmee Giuseppe mij telkens aansprak. Zijn bedoelingen waren iets té duidelijk: mij volledig de grond in boren. Totaal uit mijn lood slaan. Mij kleineren tot en met. Maar goed dat ik mentaal toch wel sterk voor de dag kwam was in dit soort scenario's. Als iemand me uit mijn kot lokte... Maar ik gaf het wel toe, ikzelf was ook niet al te koosjer. Giuseppe werd door mij meermaals gebruikt als schandpaal van al de problemen. En sportief kon ik bij Lampre niet meteen doorgroeien in deze situatie.

Ik anticipeerde meteen op het ontslag. Francesco, Damiano en Michele spraken hun connecties aan, waardoor ik de volgende week drie gesprekken kon afdwingen. Farnese Vini, die zich volgend seizoen zou losrukken van Neri Sottili, lag in poleposition. Tevens kende ik Giovanni Visconti al een poosje. Fantastische allrounder, goeie kerel. Voor hem wou ik zeker gaan rijden, indien ik zelf mijn kans kon gaan natuurlijk. Ook Geox-TMC en Colnago-CSF Inox contacteerden me al. Pittig detail: Damiano stond zelf dicht bij een overeenkomst met de equipe van Modolo en Pozzovivo. We moesten allemaal aan de bak natuurlijk volgend seizoen. Samen begonnen we dan ook luidop te dromen. Samen naar de Giro, kamergenoten... Francesco ging nog een beetje verder. "Ooit rijden we met z'n vieren in eenzelfde team, en dan houdt niemand ons van successen'. Leona aanhoorde het gesprek met alle plezier. Ze mengde zich niet, maar wist verdomd goed hoe belangrijk de andere drie voor me waren. Samen in eenzelfde ploeg rijden zou me een enorme boost bezorgen.

De champagne vloeide rijkelijk. Je kon zo van zijn gezicht aflezen dat we hier te maken hadden met een overgelukkig mens. Damiano Cranello mocht zich vanaf nu prof noemen bij Colnago-CSF Inox. Morgen zou het hopelijk mijn toer worden. Het gesprek met Geox werd vooraleer die gevoerd zou worden gestaakt, en Farnese Vini was niet tevreden met mijn eisen. Was dat nu teveel gevraagd? Knecht voor de kopmannen in de belangrijke wedstrijden, en elders volledig mijn eigen kans gaan? Ook de looneisen waren belange niet hoog. Och ja, kijken wat dat de volgende dag ging geven. Nu was het vooral feestje vieren met Damiano. Hij zou als kopman voor de sprints ingezet worden, naast ene Modolo en Belletti... Maar Damiano kon meer, bergop stond hij ook zijn mannetje. Hoe lastiger de aankomst voor een sprint, hoe beter.

Het was bijzonder laat. De kerktoren die we, als de wind even wou meewerken, konden horen van op zo'n tweehonderd meter verderop, sloeg driemaal. De herinneringen die we ophaalden waren episch. Onze helden waren vooral de heersers op ons eigen terrein. Francesco was een fantastische hardrijder. Kon beuken als de beste, en prologen waren zijn specialiteit. Chris Boardman. Damiano had het meer voor de sprinters met punch. Thor Hushovd vond hij altijd wel een held. Een keer kreeg hij de kans om hem te ontmoeten, hij was er meteen zot van. En Michele... Klimmer pur sang. Op het vlakke moet hij passen, maar vanaf de eerste klimmeters was hij gegarandeerd op de afspraak. Openbloeiend gaat hij dan op zoek naar de eerste plaats op die berg. Met meestal veel grinta en een panache om U tegen te zeggen. Een Marco Pantani dus. Iemand die altijd bereid is om aan te vallen. Ronderenner, dat was op dat moment nog iets té hoog gegrepen. Zijn tijdrit trok op niet veel.

En ik, Matteo Cutolo? Wie anders dan Fausto Coppi.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(12)

4 januari

Volgens mij kende Volla nog nooit zo'n drukte. Een menigte journalisten was afgezakt naar de kleine gemeente in Napels. Het plaatselijk zaaltje, de medewerkers incluis, waren totaal niet voorbereid op zo'n massa. Wel tweehonderd mensen waren op de afspraak om de ploegpresentatie op te vangen van Colnago-CSF. Nochtans, Colnago was niet per se hét topteam in Italië. Dat waren nog altijd Liquigas en Lampre. Maar toch. Kopman Domenico Pozzovivo gaf in meerdere interviews aan klaar te zijn om de Giro te winnen. Winnen?! Juist ja, winnen. Ook Sacha Modolo had ambities. Niets minder dan Milaan-San Remo. Doelen stellen, het was niet meteen een probleem voor het in theorie Ierse team.

Met veel belangstelling en verontwaardiging werd er geluisterd naar de speech van Bruno Reverberi, de algemeen directeur die samen met zijn zoon Roberto de touwtjes in handen had bij Colnago-CSF. Vooral zijn lofbetuigingen die hij over had voor mij en Damiano waren de grootste items. Ik had me nog niet kunnen bewijzen vorig jaar door perikelen met Giuseppe en blessures, maar was dit jaar wel gebrand op revanche. En Damiano kon met een clean sheet dit seizoen aanvatten. Veel werd er nog niet van verwacht, maar nadat ik even de microfoon ter hand nam, sprak ik op mijn beurt lovende woorden uit voor mijn boezemvriend. Wij zouden in de toekomst, samen met Francesco en Michele, het Italiaanse wielrennen dirigeren. In onze dromen dan toch...

Na de talloze clichés die de voorstelling telden, was het tijd voor de climax van de avond. Op het podium stonden negen fietsen. Maar geen gewone fietsen. Racefietsen die het verlengde waren van een simulator. Een koerssimulator, die werd gebruikt om de details zoals positie, trapfrequentie, wattage en zo verder nauwgezet op te volgen. En als test gingen negen renners het aan om het tegen elkaar op te nemen. Ik zag het volledig zitten, nam plaats naast Damiano en Sasha, en verkocht een beetje show aan het publiek. Ik zag dat de journalisten dit wel konden smaken. Met een uiterst geconcentreerde doch ontspannen blik inspecteerden en beoordeelden ze de simulator. Na de eerste sessie was het al duidelijk: dit was een voltreffer!

De sprintsnelheid werd gemeten op een vlak stuk weg van één kilometer. Iedereen gaf zich volledig, en met snelle mannen als Modolo, Belletti en Damiano, leek ik wel kansloos om hier me al een beetje te bewijzen. Maar mijn benen verrasten alles en iedereen, mezelf incluis. Ik legde het virtueel parcours als snelste af. Sasha feliciteerde me met de puike prestatie. Veel was het niet waard, maar eer en vertrouwen... Niet te onderschatten. Drie andere onderdelen volgden nog: een geaccidenteerd parcours van anderhalve kilometer, bergop voor twee kilometer en nog anderhalve kilometer kasseitjes overleven. De technologie staat nooit stil, en dat werd nog maar eens bewezen. In de proeven eindigde ik telkens in de top drie. Als constante factor van deze simulatiereeks werd ik als winnaar uitgeroepen en mocht ik even de microfoon nemen. "De eerste zege van mij, Michele, Damiano of Francesco zullen we met geëmotioneerde ogen opdragen aan onze Manuele. Het ga je goed, mijn vriend". De krop in de keel maakte het er niet bepaald simpeler op, in tegendeel. Even later bracht iedereen in de nogal kleine en donkere zaal een staande ovatie. Aan het gehele team en blijkbaar ik in het bijzonder. Een dag later stonden de lokale kranten vol met artikels en foto's van de presentatie. Vooral Domenico en ik stonden in de schijnwerpers. Het voelde goed om erkend te worden, nu nog bevestigen...

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

Intermezzo

Haar hand gleed over mijn wollen trui, die mij moest beschermen tegen de ijzige koude. Ze fluisterde lieve woordjes in mijn oor en nam me vast met haar door kippenvel veroverde armen. De wind speelde geen rol van betekenis op deze kille nacht. Het geritsel van een of ander dier deerde ons niet. Ik gaf haar een klein kusje, waarna ik mij zachtjes liet vallen in het grasperkje langs het beekje. Ze volgde mijn voorbeeld.

Het enige wat onze ogen opsloegen waren de sterren die figuren vormden aan de blote hemel die geen wolkendek duldde. We hielden elkaar warm door dicht tegen elkaar aan te schurken, en wezen naar boven, naar de Kleine Beer bijvoorbeeld. "Schat, dit zijn momenten die we moeten koesteren, weet je dat?" Leona hield in principe niet echt van al dat sentimenteel gedoe, maar ik kon haar na een week of drie nog niet geheel doorgrond hebben natuurlijk. Het was haar idee om hier naartoe te komen, een plaats die zij als klein meisje vaak heeft bezocht om te bezinnen, om één te worden met de natuur en om vooral tot rust te komen. Ze vertelde op een stille maar voldoende hoorbare toon allerhande speelse verhalen uit haar kindertijd. Haar schoonheid bezat ze al in de kleuterschool, vertelde ze me eerlijk zonder arrogante ondertoon. Dat wist ze doordat ze altijd populair is geweest in haar jeugd. Populair omdat ze het antoniem was van een klein, mollige en door puisten geaccentueerd meisje. Ze was bruiner dan andere van huidskleur, slank en sportief. Haar lange benen bezorgden haar een soort natuurlijke elegantie, die ze altijd en overal over zich heen had. Ze kon alles krijgen wat ze wou, ook van thuis uit. Vrienden had ze op overschot, maar slechts één iemand wist wie Leona écht was. Een ingetogen en pienter meisje, die emotioneel tot vele dingen in staat was en nog altijd is. Haar beste vriendin, Maria, had die eer om Leona van binnenuit te leren kennen. Voor de anderen was Leona "het knapste meisje van de school die iedereen wil en kan krijgen". Ondanks die weelde had Leona nooit echte liefde gekend, totdat ze drie weken geleden mij tegen het lijf liep.

Ze had natuurlijk wel al wat enige ervaring in de liefde voordat ze mij leerde kennen, maar écht was haar liefde voor die andere jongens, die haar trouwens meer gebruikten als pronkstuk om te kunnen imponeren en opscheppen tegenover hun maten, helemaal niet. Onze ontmoeting kwam er op een bijzonder lullige manier, beetje cliché zelfs. Ik was ober in een klein, gezellig café in het centrum van Napels. Dat moest ik noodgedwongen doen, ik had dringend geld nodig. Met een zuur gezicht na een zoveelste treiterende opmerking van mijn baas had ik geen oog meer voor wat voor mij uit gebeurde. Met een plateau vol glazen water, cola en cocktails kon ik eerst nog ternauwernood twee mensen ontwijken, maar de derde was er teveel aan. Ik botste frontaal tegen de bevallige dame aan en morste met alles wat er te morsen viel, allemaal op haar licht, blauw blouseje. Na een scheldtirade sprintte ze naar het toilet. Ik was zo aangedaan van het voorval dat ik me meteen uit de voeten maakte om haar te helpen. De beste zet ooit, want haar gefrustreerd humeur maakte plaats voor een op slag verliefd zieltje. Ik hoef er helemaal geen tekeningetje bij maken. Na onze eerste ontmoeting spraken we enkele dagen later af om iets te drinken. Toen begon de romance echt, en nu lagen we samen te genieten van het schouwspel daarboven, begeleid door een invasie van sterren.

Voor alle duidelijkheid, dit is een schets van hoe Matteo en Leona elkaar ontmoeten, en is dus gesitueerd enige tijd van waar we zitten in het verhaal, begin januari 2012.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(13)

De volgende dag slenterde ik de lokale krantenboer binnen. Moe maar voldaan. De avond daarvoor vond een veelbesproken en boeiende ploegenpresentatie plaats, en ik was dermate benieuwd of de Italiaanse grootheden in de perswereld ze opgepikt hadden. Absoluut. Een klein kadertje op de voorpagina van 'La Gazzetta dello Sport' verwees op het eind naar vijf (!) pagina's in de sportkrant. De roze krant was mijn favoriet, door het grote aantal wieler- en voetbalgeruchten, die toch voor een deel waarheid werden, bleek in vele gevallen later.

In grote, vetgedrukte letters stond er letterlijk: 'Colnago, de redder van het Italiaanse wielrennen'. Wel wel, sinds wanneer prezen de Italiaanse media renners van eigen makelij? Doorheen het artikel werd de titel uitgeklaard. Het recept van ons team werd netjes uit de doeken gedaan: vooral presteren met Italiaanse renners. Nu, naar mijn weten bevond het Italiaanse wielercircuit zich niet in een diep dal, al beleefden we niet bepaald onze hoogdagen. Sinds Bettini stopte hadden we geen voortrekker meer. Pozatto faalde, Cunego stagneerde en Nibali kon niet bevestigen. Jeugd genoeg, maar nog niet aan de top. Colnago-CSF was daar een perfect voorbeeld van. Het team stond bekend als een broedkamer voor Italiaans wielertalent. Mannen als Modolo, Brambilla, Piechele en misschien Damiano en mij erbij gerekend konden de wielerharten in de toekomst verblijden. Konden, zouden moeten. Voorwaardelijke wijs. Beetje voorzichtigheid inbouwen, het lijstje met toptalenten die hun zeldzaamheid niet konden omzetten in goud is ellenlang. Dat Domenico de oudste was van ons team met zijn negenentwintig, was geen toevalligheid. Hij was gewoon onze meest ervaren man, die het team op sleeptouw moest nemen. Hij werd dan ook meermaals genoemd in het artikel als de man die voornamelijk in de Giro opnieuw zijn oude niveau moest gaan halen. Maar daarnaast hadden ze het verrassend veel over Matteo Cutolo... Het verbaasde me dat ze de wielersimulator werkelijk serieus namen, en mij als eventuele revelatie van 2012 naar voor schoven. Hoe ik de meesterknecht zou worden in de topkoersen voor Domenico in de bergen en zelf mijn kans mocht gaan in de kleinere rittenkoersen. Ik glimlachte even, veel eer, maar het was maar inkt op roze krantenpapier.

Het artikel was uitermate positief, met als conclusie dus dat Colnago-CSF de redders zouden gaan worden van het Italiaanse wielrennen, en dat in Apocalypsjaar 2012. Ik nam er enkele andere kranten bij, en stelde telkens hetzelfde vast: wij moesten de redder in nood gaan spelen voor de Italiaanse wielrennerij. Wat mij ook opviel: ik werd telkens bestempeld als een begenadigd klimmer met veel punch. Ik gaf de journalisten geen ongelijk, maar er was een grote "maar". Moesten ze mijn resultaten hebben opgezocht bij de jeugd, ze zouden anders gepiept hebben. Het gros van mijn toch wel talrijke zeges waren... massasprints. Toonde ook meteen mijn polyvalentie aan in het wielerpeloton. Ik was geen pure klimmer, noch sprinter, noch hardrijder, noch een puncheur (zo'n typisch Frans woord waarvan het verboden is het te vertalen, net als een baroudeur). Nee, ik was het allemaal. Ik had geen voorkeur, en mijn kwaliteiten boden ook geen specialiteit. Ik moest het van mijn aanvalsdrift hebben, mijn harde kop, en mijn uithouding. In de jeugd was ik nooit de snelste in een massasprint, maar wel de eerste aan de streep. Op een col raasde ik nooit als snelste over het asfalt, maar ik kwam wel als eerste aan. In een tijdrit haalde ik nooit pieken, noch dalen. Mijn gemiddelde bleef constant stabiel, waardoor ik ook als niet-volleerd tijdrijder de chronoproef naar mijn hand zette. Vandaar ze mij in Napels "De Coppi van de Vesuvius" noemen. Een bijnaam die ik koesterde, Fausto Coppi was voor mij een held van het hoogste gradatie. Niemand beter dan hem, al moest ik met mijn objectieve kijk op het leven vaststellen dat ene Eddy Merckx nog meer klaarspeelde. En allebei worden ze nog altijd in Italië als een 'Campionissimo' gezien.

Enkel in één krant was ik eens niet de metafoor voor een nieuwe bergkoning. In "Il Mattino", de krant die rasecht Napolitaans is, werd ik beschreven als "een alleskunner, die de aanval gebruikt om zich te verdedigen, maar nog vele teleurstellingen zal tegemoetkomen door wat in mijn hersenkoker afspeelt." Mijn aanvalsdrift en mentale weerbaarheid, kortom mezelf, zou mijn grootste tegenstander gaan worden. Ik probeerde het artikel te negeren, maar wist goed genoeg dat het de keiharde waarheid was, die nu recht in mijn gezicht sloeg. Ik wou die journalist wel eens spreken, vrienden in dat wereldje kon je altijd gebruiken, en richtte mijn blik naar de laatste zin van het artikel. Daaronder stond de naam van de betreffende persoon vermeld. Van verbazing sloeg ik tweemaal tegen mijn eigen wang, even checken of dit wel de realiteit was. Na twee vruchteloze pogingen om uit die vermeende droom te geraken, zocht ik het gsm-nummer van Flavio Demora op in mijn nieuwe HTC-smartphone.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(14)

Normaliter kende deze donderdag vijf januari een vier uur durende training met Damiano, Francesco en Michele mee langs de heuvelachtige wegen rond Napels, maar speciaal voor Flavio offerde ik die training op. Zijn ontvangst was dan ook bijzonder hartelijk door iedereen. De drie anderen waren dolgelukkig dat ze hem nog eens zagen, voor Leona was het vooral tijd om koffie te zetten en mee te luisteren naar onze gesprekken. Gesprekken die vooral gekruid waren door talloze herinneringen die er bij ons vier in de hersenen gegrift stonden.

We schrijven vijf jaar terug, 2007 dus. Ik had al drie jaar achter de rug bij de provinciale wielerploeg, maar daar kon ik nooit echt aarden. Francesco, Damiano, Michele, Manuele en ik maakten hun intrede in de Napolitaanse wielerclub, die nationaal hoog aangeschreven stond, waar tegelijkertijd een wisseling van de macht plaatsvond. Roberto Micelli ging met pensioen, de toen 43-jarige Flavio Demora nam zijn plaats in en zorgde voor drie onvergetelijke jaren in het wielerteam. We vormden met z'n twaalven, met Flavio en nog zes andere renners erbij, zo'n hechte groep dat we twee jaar alles met elkaar deelden. Een geheim over de meest uiteenlopende onderwerpen werd gedeeld met de elf anderen. We boekten de ene zege na de anderen en iedereen ging door het vuur voor elkaar. Tot die bewuste Nieuwjaarsnacht. 2009 werd feestelijk ingezet. Iets té feestelijk. Marcelo Dall'Antonia wees enkele uren voor het zuipfestijn zichzelf aan als bob. Maar ik zou hem, bewust, zat gevoerd hebben, met genoeg sambucca en limoncello om een olifant te doen wankelen. Zou, want Angelo Briatore verzon dit verhaal. Hij was altijd al een fantast, maar zijn uitlatingen zorgden wel voor een breuk, die eind 2009 definitief werd. Een jaar na datum dus. Er ontstonden twee kampen: mijn kamp met Damiano, Francesco, Michele, Manuele en ik, en de anderen, met Angelo op kop. Hij insinueerde dat ik jaloers was op zijn zegereeks op het einde van 2009. Waarom zou ik. Ik reed alles aan gort in het voorjaar. Flavio trachtte de kerk in het midden te houden, maar op onbewaakte momenten helde hij toch meer over naar onze kant. Na de officiële breuk, op 1 januari 2010, moest iedereen op zoek naar een nieuw onderdak. Dit gesprek leerde ons dat Flavio meteen aan de slag ging als freelancerjournalist, de job waarvoor hij in zijn studententijd voor leerde. Vandaar het artikel in de plaatselijke krant over Colnago.

Het leek wel of onze band nooit een dip had gekend. Ik had Flavio een geheel jaar niet gezien. Francesco had hem wel even vluchtig tegen het lijf gelopen tijdens een wedstrijd in Lombardije, maar had geen tijd om een deftig gesprek op te starten. Maar we zaten nog altijd op dezelfde golflengte, dat was duidelijk. Over Manuele werd in het geheel niet gesproken. Hij leefde verder in onze gedachten, maar niet meer in de woorden die we uitwisselden. De manier hoe hij zijn overlijden meemaakte was niet bepaald simpel. Hij moest juist in die wedstrijd een verslag maken voor een lokale krant. Hij toonde het artikel, netjes bewaard in zijn portemonnee, die hij achteraf, met veel emotie en gevoel, produceerde. Het was een soort van persoonlijk aandenken aan Manuele. Ik bejubelde zijn schrijfstijl. Recht uit het hart, met gevoel geschreven en toch zijn objectiviteit bewarend. Echt professioneel, maar waar het kon toch zijn persoonlijke touch in zijn artikels verwerken. Het was zijn handelsmerk blijkbaar.

Wanneer Flavio een sanitaire stop inlaste, zette Michele meteen een statement. "We hebben nog een manager nodig jongens. Bruno Reverberi geeft ons tijd en het vertrouwen om zelf onze boontjes op het droge te leggen, dus... Zonder verder over het onderwerp door te rammen, dachten we precies hetzelfde. Wij vier wilden Flavio als manager. Iemand die ons persoonlijk goed kende, verstand van zaken had en zijn vlotte pen kon nog bijzonder goed van pas komen. Nadat Flavio terug aanschoof aan de salontafel, vielen we meteen met de deur in huis. Flavio had niet al te veel tijd nodig om na te denken over ons voorstel. Even recapituleren was genoeg, de details werden meteen afgehandeld. De volgende dag belde ik in naam van Damiano en mezelf Bruno Reverberi. Zijn reactie klonk alleszins verheugd, hij keurde het meteen goed. Francesco belde Igor Poberyy, het hoofd van Farnese-Vini, sinds enkele dagen zijn nieuw team, en Michele zijn mama. Hevige supporter die mama, dat was zeker. Even later informeerde ook hij zijn ploegbaas: Andrei Tchmil. Michele vond gisteren onderdak bij Itera-Katusha, de wachtkamer voor het grote Team Katusha. Onze verschillende ploegkeuze zou zeker en vast onze wegen niet laten scheidden, we hamerden er op dat we hier mochten blijven, in Napels. Zonder probleem, maar of we nog veel dagen hier te samen zouden zijn...

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(15)

Voor mij was het de derde keer, voor de andere drie de allereerste keer dat ze Napoli SSC konden bewonderen in het Olympisch Stadion. Tegenstander was Bologna op die koude zondagavond. Het was immers nog altijd midden januari, en je mag dan nog in Italië zitten, koud kan het overal zijn. Napels speelde in de heenronde de pannen van het dak in de Serie A. Met een puike tweede plaats, twee puntjes minder dan leider AC Milan, moesten ze niet veel onderdoen voor de Rossoneri. Kwalitatief zeker niet, in het onderlinge duel speelde de Napolitanen, met een sublieme Marek Hamsik, helemaal tureluur. Alleen kregen we nogal af te rekenen met onfortuin. De match eindigde op 1-2 omdat Hugo Campagnaro het twee keer nodig vond om een voorzet van respectievelijk Boateng en Tiago Silva in doel te werken. Maar vanavond moesten ook de cijfers een correcte weergave van het spel vormen. En dat konden we bewonderen op de allerbeste plaatsen. Flavio kon immers regelen dat hij vier tickets kon bemachtigen doordat hij vanavond voor de allerlaatste keer een verslag moest opmaken als freelancerjournalist, en dat voor 'Corriere della Serra.'

Francesco en Damiano waren niet zo voetbalminded, Michele en ik des te meer. De hoogdagen van Napoli, die samenvielen met die van Careca en Maradona, beleefden we niet actief, maar toch zat Napoli in ons hart. Echte voetbalfanaten, die nooit veel tijd hadden om te gaan kijken. Nu dus wel, en we waren vastbesloten om er een fantastische avond van te maken. Zeker omdat de in hemelsblauw gehulde gladiatoren Bologna van de mat gingen vegen, al werd het na drie minuten al warm voor De Sanctis' goal nadat Acquafresca een ziekenhuisbal van Casarini bijna in de winkelhaak devieerde. Het bleek vals alarm te zijn. Napels zette Bologna meteen na het eerste hete standje voor het Napolitaanse doel vast en rondde op het kwartier een sublieme combinatie af via topschutter Edinson Cavani, die de laterale pas van Hamsik met alle plezier aan de verste paal binnenlegde. Napoli voelde dat ze de tegenstrever in een wurggreep hielden en trachtte ze met gecompliceerd combinatievoetbal bewusteloos te slaan. Dat betaalden ze bijna cash: het afstandschot van Nico Pulzetti stierf op de paal, de rebound van Di Vaio ging via de vingertoppen van een uitstekende De Sanctis nipt over. Even leek Napoli de greep op de wedstrijd verloren te hebben, maar met een snelle counter uit de corner die uit de eerdere fase volgde, werkte opnieuw Cavani de bal via de paal in doel. 2-0 was het na een klein halfuur en bleef het ook tot aan de koffie. Ik genoot met volle teugen van de wedstrijd en glunderde als geen ander als Flavio bovenop de beste plaatsen ook nog eens een ontmoeting had geregeld met enkele spelers na afloop van de wedstrijd. Plots waren Francesco en Damiano wel gefascineerd door het spelletje: ze keken vol bewondering naar de fysieke klasse van vooral Hamsik en Cavani.

Na de pauze zette de Napolitanen de studentenstad meteen onder druk. Hun verdediging had het telkens knap lastig met Hamsik, die tussen de linies voor het gevaar zorgde. Wanneer hij aan de bal kwam, schoot het tempo met een ruk de lucht in en moest Bologna telkens weer op krachten komen om de bal te ontzetten. Tien minuten na de rust was het opnieuw raak. Campagnaro dropte een lange bal op de borst van Hamsik, die slim Mudingayi en Vitale omspeelde en aflegde tot bij Cavani. Het leek aan de rand van de 16-meter ideaal om de bal al krullend in de verste hoek te deponeren, maar met een subtiele kruispass zette hij Christian Maggio in een ideale positie om hard uit te halen. De middenvelder liet deze kans niet schieten en knalde kurkdroog de bal naast Jean-François Gillet in één tijd. Het stadion ontplofte. Even later zette Hamsik de zekere overwinning nog eens kracht bij met een gekruld schot van zo'n 26 meter. Gillet stond er bij als een toeschouwer, en zag hoe de bal enig mooi in de rechterwinkelhaak verdween. Dit kon niet meer fout lopen, deze avond was perfect. Met ons vieren gingen we helemaal op in de match, vooral toen Francesco Della Rocca een aanslag pleegde op de goddelijke kuiten van Hamsik. Hij kreeg meer dan terecht rood en een striemend fluitconcert erbovenop. De match lag daarna een dikke tien minuten in het slop, maar in de laatste zeven minuten bracht de ingevallen Ezequeil Lavezzi soelaas. Het was er niet aan te zien dat hij nog geen minuut gespeeld had door een kruisbandletsel. Eerst draaide hij Garics dol om dan de bal panklaar op het hoofd van Inler te leggen, daarna zette hij zelf de kers op de rijk gevulde taart met een listig balletje die, met geluk, via paal en lat binnenviel. De 6-0 was niet meer dan logisch en zorgde voor een fenomenale sfeer in en rond het stadion. Die werd nog eens opgedreven toen het bericht binnenkwam dat AC Milan het onderspit moest delven in de stadsderby tegen Inter, waardoor ons geliefkoosd elftal voor minstens een week mocht pronken met die eerste plaats. De sfeer van de grote dagen kwamen stilaan weer terug. Een avond om nooit te vergeten, en die werd nog eens gekruid door de ontmoeting met Marek Hamsik, Walter Gargano en Gökhan Inler. Trainer Walter Mazzarri vroeg me zelfs om hoogstpersoonlijk het Italiaanse wielercircuit uit het slop te halen. "Wij zullen dat doen, meneer Mazzarri, ons vieren". Het shirt die elk van ons overhandigd kregen met alle handtekeningen van spelers en staf vormden het sluitstuk van een memorabele avond. Ik hoopte in het diepste van mijn hart dat ikzelf ook voor zo'n memorale momenten kon zorgen op m'n stalen ros. Het seizoen begon immers binnen twee weken met de Giro della Calabria, waar Damiano en Francesco, bij Itera-Katusha dus, ook naar toe mochten leven. Michele zou zijn seizoen bij Farnese-Vini openen met de GP Costa degli Etruschi, een week daarop.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Header-11.png

(16)

28 januari

Daags voordat de Giro della Calabria zijn startschot kende, bevestigde Bruno Reverberi nog eens het belang van de openingskoers van ons team. "De organisatie van de Tirreno zal vooral kijken naar de neergezette resultaten in januari en februari om hun wildcards toe te kennen. Zorg dus dat we hier tenminste dicht bij een zege komen en een top tien notering kunnen bemachtigen. Pas in de Ronde van Sardinië leg ik de druk echt hoog, daar zal het absoluut van moeten zijn, nu is het nog even zoeken. En de kans is groot dat als we de Tirreno halen, ook meteen San Remo en misschien wel de Giro te pakken hebben. Dus jongens, go for it"! Kijk, die gedrevenheid miste ik bij Lampre. De motivatie was toch weg, belangrijke koersen kon ik toch niet rijden. Nu maakte ik een dikke kans, doordat het team kleiner was en omdat ik gewoon op dezelfde lijn begin met alle anderen, een clean sheet. Ook al hadden de andere zestien renners, niemand vertrok immers, al ervaring met Reverberi aan de macht, ik en Damiano voelden zelf ook wel dat we gelijkwaardig werden behandeld. Gelukkig maar, enkel zo konden we ons volledig ontplooien.

Het parcours van Calabria nodigde uit om aan te vallen. De eerste twee dagen leken panklaar te liggen om door een massasprint beslecht te kunnen worden, maar de twee etappes op de laatste dag zouden alles beslissend gaan worden. In de voormiddag stond een tijdrit over dertien kilometer op het menu op een glooiend parcours, met in de namiddag een honderddertig kilometer lange tocht door de stevige heuvels die Calabrië kennen. De eerste etappe ging van hoofdstad Catanzaro naar Vibo Valentia, om daar een korte klim te trotseren op acht kilometer van de streep. Van Vibo Valentia ging het dan naar Reggia Calabria, daar waar de ronde zou beslecht worden in en rond de stad. Bruno had zijn selectie al volledig klaar. Kopman werd Sasha Modolo. Speerpunt in de eerste twee dagen, en misschien zat er een hoge eindnotering in mits een degelijke tijdrit en het goed voorin rijden in de middag. Hij zou hoogstpersoonlijk worden bijgestaan door Gianluca Brambilla. Langs de andere kant gaf hij Damiano en mij de kans om ons in het systeem te laten werken en gaf ons allebei een vrije rol, en klaar om eventueel te knechten als de nood hoog zou worden en sowieso in de finale een handje toesteken. Verder werden de gregaria (Italiaanse term voor de knechten) Simone Stortoni, Federico Canuti, Paolo Locatelli en Stefano Pizarri meegenomen. Acht renners dus, het maximum aantal. Bruno wou duidelijk iedereen een eerlijke kans geven, om zo zijn selecties voor de grote wedstrijden te kunnen opmaken.

Nog dezelfde dag voerde Leona ons met de Fiat richting Catanzaro, waar de volgende dag de Giro della Calabria van start ging gaan. Op het marktplein werd er verzamelen geblazen met het gehele team, kwestie van de groepssfeer tijdens die eerste dagen goed te onderhouden, en volgden we Bruno richting het hotel waar we de nacht zouden gaan doorbrengen. Maar vooraleer we ons nachtelijk dutje inlasten, kookte de ploegkok een heerlijke maaltijd: pasta, à volonté dan nog. Het was immers nog maar zeven uur in de avond, dus tijd om te kletsen was er wel. Domenico profileerde zich meteen als de grappenmaker van de bende, met als zijn assistent Omar Lombardi. De sfeer was bijzonder gemoedelijk. Niets moest, alles mocht. De volgende dag zou dat wel even veranderen, maar we moesten genieten van deze momenten. Ook de kamerverdeling werd meteen geregeld, maar ik en Damiano namen voor die eerste keer nog niet al te veel risico's. Wij zouden wel samen slapen vannacht.

Eindelijk kon ik in alle rust op de kamer eens mijn groot boek over überheld Fausto Coppi, met veel woord en beeld, eens deftig inspecteren. De zwart-witfoto's toonden qua betekenis immer hetzelfde: een vechtende Coppi die de tegenstander geen meter ruimte gaf en zelf doorging tot de laatste snik. Mijn bewondering werd alleen maar groter wanneer ik zijn eerste grote triomf in detail kon bestuderen: de Giro d'Italia als neoprof en debutant in 1939. Net toen brak de Tweede Wereldoorlog uit, en beleefde Coppi wrede tijden als krijgsgevangene in Tunesië. Zes jaar later stond hij er weer helemaal, met zeges in San Remo en een tweede plaats in de Giro achter een herboren Gino Bartali. De vrome en 'Il Campionissimo' vochten enkele heroïsche duels uit, die naar het einde toe logischerwijs werden beslecht door Fausto. Zijn erelijst werd in de loop der jaren nog aangevuld met Parijs-Roubaix, tweemaal de Tour, nog vier keer de Giro, vijf keer de Ronde van Lombardije en één keer de strijd om de Regenboogtrui. Fausto was van alle markten thuis, net als ik. Maar of ik zijn erelijst en heerschappij kon overbrengen in het moderne wielrennen? Nee, Fausto was en zou voor altijd een legende blijven, zeker nadat hij door een verwaarloosde malaria-infectie om het leven kwam. Toen ik doorheen het boek bladerde voordat ik een ticketje richting dromenland nam, ving ik in een flits zijn geboortedatum op: 15 september 1919. Exact zeventig jaar later werd ik ter wereld gezet. Toeval?

Edited by SteJov

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(17)

Eindelijk was het moment daar. Zware hunkering ging vooraf aan deze dag, 29 januari. Mijn wederopstanding, mijn revanche op vorig jaar. Dit seizoen zou alles anders gaan worden, hopelijk mocht ik me meteen laten gelden in de grootste koersen die de kalender kende. Vandaag was de opdracht duidelijk: op z’n minst meestrijden om de zege. Vlak voor de start, op de markt van Catanzaro, werden de laatste eventuele scenario’s nog eens bijgeschaafd. Ons plan was, indien het tot een massasprint zou komen, een blauwe trein op te zetten, met ik, Damiano en Sasha als bestuurders, in die volgorde. De finish was meer aan de zware kant: een colletje op acht kilometer van de streep zou er voor zorgen dat de rasechte sprinters hun krachten zouden voelen wegvloeien, en dat we met een razende vaart, over een riskante maar korte afdaling, de laatste twee kilometer van de etappe zouden aanvatten. Sasha tipte vandaag een puncheur met snelle benen als zegevierder, en dacht daarbij vooral aan een Visconti of een Duque. ‘Pietropolli! Daniele doet mee!’, riep Damiano me toe, al wijzend naar de duivel. Hij wist dat Pietropolli sinds de GP Beghilli niet bepaald een vriend was geworden. ‘Zolang hij maar niet wint, desnoods zorg ik daar hoogstpersoonlijk voor.’ De toon was meteen gezet. Ook Daniele had mijn aanwezigheid opgemerkt, maar gaf me geen langdurige blik. De spanning was goed voelbaar tussen ons.

Aan een gezapig tempo maakten we de eerste handvolle kilometers vol. Een babbeltje met Simone Stortoni en Stefano Pirazzi kon er nog gemakkelijk van af. â€Communicatieâ€, het codewoord van Bruno. ‘Zonder communicatie is er geen team, en dus ook geen zege en geen roem. Enkel problemen en vetes’. Zijn aanpak beviel me wonderwel. Hoewel ik een harde kop kon hebben, zorgde zijn directe, duidelijke attitude voor grote motivatie. Maar mijn interessant gesprek met Stefano, over Filippo Pozatto en de blijkbaar schitterende provincie Calabrië, werd abrupt afgebroken door de zwaaiende rode vlag die de start symboliseerde. En wie zag ik daar meteen een stevig tempo opleggen? Juist ja, Francesco. Ik had hem nog niet gesproken vandaag, en hij had duidelijk geen zin om een babbeltje te slaan in het peloton vandaag met me. Enig nadeel van op dit tijdstip aan te vallen: hij was niet alleen. Omdat het van velen de eerste koers was, wilden de gemotiveerde coureurs meteen hun benen testen en zich bewijzen. Francesco zorgde zo voor chaos, want niet minder dan zeventien trachtten in zijn kielzog te blijven. Voor Colnago waren Paolo Locatelli en Stefano Pirazzi mee, maar Farnese-Vini had helemaal niemand mee. Probleem, Visconti weigerde zijn team voor de rest van de etappe het vuile werk te laten opknappen. Francesco’s poging werd dus nietig verklaard, het was even windstil.

Op de eerste de beste klimmeters ging Diego Ulissi van Lampre op de trappers lopen. Met een hoekige stijl, zijn knieën naar buiten gedraaid, pakte hij meteen een bonus van enkele tientallen meters. Stephane Augé had meteen door dat dit de beslissing zou gaan worden, en sloop met een paar andere stervelingen mee met de nog jonge Diego. Ook Francesco was weer weggeglipt, en deze keer had hij het fortuin aan zijn zijde. De groep mocht wegblijven. De vlucht, bestaande uit zes man, mocht vooruitblikken op een helse dag in de koude, het kwik zou immers maar drie graden boven het nulpunt uitstijgen. Naast de al vernoemde aanvallers waren ook mee: Serguei Lagutin van Vacansoleil, Hubert Schwab van het kleine Vorarlberg en Mauro Finetto van Geox-TMC. En zoals altijd viel het scenario in een beslissende plooi. Enig noemenswaardige feit in deze 170 kilometer lange rit was dat Francesco de eerste twee bergsprints voor zijn rekening nam en toen al zeker was van de bergtrui moest hij op de laatste col, op acht kilometer van de streep dus, minstens een punt meegraaien.

Het tijdsverschil tussen de kopgroep en het peloton werd nooit groter dan vier minuten, tot stand gebracht door drie collectieven: Lampre, Farnese-Vini en Cofidis. Wij zaten dus in een zetel, want Sasha, Damiano en ik hadden alle tijd om een babbeltje te slaan met de renners die in onze buurt zaten. Maar wanneer de kilometeraanwijzingen van de laatste twintig kilometer in beeld kwamen, groeide de nerveusiteit drastisch. Rondepunten werden meteen moeilijk neembare obstakels. Wel drie keer ging een klein groepje renners tegen het asfalt, telkens wisten wij ons recht te houden. Maar goed ook, we gingen iedereen nodig gehad hebben. Toen we de laatste tien kilometer in doken, waren we al een dikke kilometer aan het “klimmenâ€, het gemiddeld stijgingspercentage was immers maar drie procent. Doch, het was al genoeg om rappe mannen als Oscar Gatto, Elia Viviani en Marcel Sieberg het moeilijk te maken. Ondertussen sprongen Francesco en Lagutin weg uit de gedoemde kopgroep, waarna de Oezbeek het onderspit delfde in de bergsprint. Lagutin geloofde met de geringe voorsprong van tien seconden niet meer in een stunt, maar Francesco des te meer. Hij dook de afdaling in, op zoek naar een stunt. Spijtig genoeg primeerde voor mij het ploegverband, en ging ik achter Giovanni Visconti aan, die na de aanmoediging van een ploeggenoot ten aanval trok. Met ware doodsverachting zette ik me op kop in de afdaling, en zoefde ik werkelijk de twee ontsnapte vogels voorbij. Visconti was pissed, Francesco had het nogal benauwd toen ik met een razende vaart zijn avontuur ten einde bracht. Wat volgde was een heus spektakel richting Vibo Valentia.

De afdaling zou nog een dikke twee kilometer gaan duren, de kant die we beklommen was immers korter dan de kant waar we de duik naar beneden pakten, en ik nam elke flauwe bocht alsof het een haarspeldbocht was: met de knieën die dienden als richtingsaanwijzer. Damiano reed net na de klim in mijn wiel, maar ik zag hem alle zeilen bijzetten om mij bij te benen. Geen nood: dat was het plan. In een houding waar zelfs Savoldelli een puntje aan kon zuigen kwam ik terecht in de laatste twee kilometer. Ik had in die afdaling een voorsprong van zo’n veertig meter verzamelde, maar liet Damiano met in zijn wiel Sasha terugkomen. De sprint ging spannend worden, want ook Visconti en Pietropolli hadden hun mannetjes naar voren gestuurd om ons het leven zuur te maken.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Create an account or sign in to comment

You need to be a member in order to leave a comment

Create an account

Sign up for a new account in our community. It's easy!

Register a new account

Sign in

Already have an account? Sign in here.

Sign In Now