SteJov

[Fantasie] De Coppi van de Vesuvius

188 posts in this topic

Geplaatste Afbeelding

(18)

‘Je gaat de tegenstand met verstomming slaan Matteo, je bent fantastisch!’ Bruno liet door het oortje duidelijk merken dat hij onder de indruk was van mijn coup. In een razende vaart moest ik nu nog een heel dikke kilometer ons treintje op de rails houden, om Damiano af te zetten op vijfhonderd meter van de streep. Simpel was anders, maar de weg liep, weliswaar met een verwaarloosbaar percentage, zachtjes omlaag. Uit mijn linkerooghoek nam ik de fameuze inspanning van Adriano Malori gewaar, die trachtte Pietropolli in de best mogelijke omstandigheden af te zetten. Toen ook Visconti’s treintje dreigend kwam opzetten, zette ik me op precies zeshonderd meter van de finish aan de kant. ‘Ik ben volledig door mijn krachten heen Damiano, bezorg Sasha de zege’, riep ik hem in een zesversnellingsitaliaans toe. Maar ook Cranello kon de anderen niet afhouden. Vierhonderd meter verder moest Modolo met alle kracht zijn eerste positie weten te behouden, en dat leek hem ook te lukken. Tot ene Colombiaan in een rode tricot aan de linkerkant genadeloos toesloeg. Modolo waande zich al de winnaar, maar Duque jumpte zich vlak voor de streep langs Sasha.

Na de finish mocht ik meteen kennis maken met de chagrijnige Sasha Modolo. Een echt karakter van een winnaar: hij haatte echt verliezen. Uit zijn mond kwamen enkel vloekwoorden, alleen voor de winnaar had hij lof. De felicitatie was hartelijk en gemeend, zoals ook dat een echte winnaar dat betaamd. Na een kwartier kon hij weer zijn objectieve bril opzetten, en meende hij dat ik een grote renner kon gaan worden. ‘Ik werk voor jou als je op de laatste dag een goeie kans maakt op een hoge notering, en ik zet heel de ploeg achter je.’ Het charmeerde me, des te meer toen ook Bruno enkel lof voor me over had. ‘Toen je aan je helse afdaling begon, zat ik met knikkende knieën in de ploegwagen. Maar enkele seconden later had je al zo’n zekere indruk gegeven dat ik je alleen maar kan feliciteren met al het lef en de kunde die je tentoongespreid hebt. Chapeau’! Het kon niet op dus. Uiteindelijk eindigde ik als zeventiende. Damiano bleef nog mooi in de top tien met zijn negende plaats. Visconti werd vandaag derde, Pietropolli “maar†vierde. Gelukkig maar, mijn aandeel daarin was blijkbaar aanzienlijk. Een helse finale als vandaag zat er morgen niet in, het parcours was biljartvlak.

‘Je bent sterk bezig Matteo, ik herkende weer die vechtlust van je, die vorig seizoen ver zoek was’. Francesco was duidelijk in zijn commentaar. Het voelde goed om intern erkend te worden. Visconti bijvoorbeeld drukte me de hand en was er zeker van dat hij met mij een tegenstander van het kaliber Hushovd, maar mijn kunst- en vliegwerk bergop had hij nog niet kunnen waarnemen natuurlijk. Hoe dan ook, ik was een tevreden man. Leona, die terug in Napels was, belde me en was zo opgelucht voor me dat ze zelfs begon te wenen van blijdschap. ‘Ik wou dat ik je kon vastpakken. Ik voel dat de echte Matteo terug is, de Matteo waarop ik verliefd ben geworden twee en een half jaar geleden. Je doorspartelde een moeilijk jaar, maar ik weet dat dit nu allemaal achter de rug is’. Het gesprek werd afgesloten met, wat dacht je, ‘ik zie je graag.’ Ze was de vrouw van mijn leven.

’s Avonds hieven we, ondanks de tweede plaats, in het hotel het glas. ‘Er valt jullie niets te verwijten, er is gedurende de gehele rit professioneel gekoerst. De tweede plaats is meer een overwinning dan een nederlaag, want Duque was bijzonder sterk vandaag. Morgen gaan we voor de revanche, Sasha. Daarom schaaf ik mijn doelstelling bij: een zege’. Het was niet slecht om de lat hoger te leggen, maar van een hoge notering naar een zege… Er zit wel nog wat ruimte tussen, maar goed. De moraal was er, nu moesten we die verzilveren. De vorm zat bij niemand natuurlijk uitstekend, het was immers nog maar eind januari. Alhoewel, die Australiërs stonden bijzonder scherp. Vooral Simon Clarke, de kersvers Australisch kampioen die voor Geox-TMC reed. Maar toch had ik hem niet gespot in de finale.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(19)

Het was snikheet. De zon brandde bijna letterlijk op onze blanke huiden, het water was felbegeerd. Ik zag zo tegen deze rit op. Een cocktail van factoren maakten van deze koninginnenrit een helse calvarietocht. En toch moest ik er door, wou ik als gele laureaat aankomen op de Champs-Elysées. Ik bekeek samen met Michele het rittenplan nog eens, en de bestudering leerde ons het volgende: we zouden vast en zeker totaal leeg aan de Galibier beginnen. De Col du Télégraphe, de Col d’Agnello en de Lautaret zouden we al achter de kiezen hebben, en dan nog die Alpense reus. Jongens toch.

Van bij de start, zo’n tien kilometer van de Col du Télégraphe, was het al meteen bingo. Fausto denderde met een razende vaart weg. Dit mocht ik niet laten liggen en knapte zelf het vuile werk op. Alleen. Niemand volgde. Zo reden de twee topfavorieten voor de eindzege meteen voorop. De rest bleef zitten. Fausto dreef me constant tot het uiterste. De Col du Télégraphe was meteen een heuse marteling. Maar ik kon Fausto ook kastijden, wees daar maar zeker van. Vlak voor de top zette ik even aan, Fausto moest zo in de afdaling geschifte risico’s gaan nemen om opnieuw in mijn wiel te kunnen uitblazen. Hoewel ik dacht dat de Col du Télégraphe en de Col d’Agnello elkaar nooit zo dicht zouden kunnen opvolgen, kwamen we meteen aan de voet van het dak van deze Tour. Fausto trok in zijn eigen Italië meteen fors door. Met mijn eerste uiterste krachtsinspanning kon ik in zijn wiel blijven, maar niet voor lang. Vijf kilometer voor de top kreeg ik mijn inzinking al. Coppi denderde voort, en begon zo aan zijn o zo bevreesde solo’s. Op de achtervolgers moest ik niet teveel mijn hoofd breken, zij hielden een surplace en moesten al een dikke vijf minuten overbruggen om tot bij mij te geraken. Onmogelijke opdracht, net als de achtervolging op Fausto. Op de top moest ik anderhalve minuut prijsgeven, maar de schier onmogelijke missie zorgde voor een bomvol motivatie. Ik dook, zoals alleen ik dat vandaag de dag kon, met ware doodsverachting die Col d’Agnello af. Met snelheden die dicht tegen de honderd kilometer per uur aanleunden, dichtte ik meteen de kloof die Fausto en mij scheidden op de top. Fausto kwam beneden met een halve minuut aan de broek, zijn knikkende knieën in de afzink speelden hem parten.

Mijn longen hadden duidelijk hun tweede adem gevonden. Aan de voet van de Lautaret was de voorsprong net geen minuut met Fausto, en klom ik dus met een grote tank zelfvertrouwen naar boven. Om de kilometer kreeg ik van de motard naast me de tijdsverschillen het Coppi en het peloton doorgespeeld. Die waren allebei geruststellend. Coppi kwam geen meter dichterbij, het peloton stond al acht minuten in het krijt. Ik kon het amper geloven. Ik heerste over deze Tour. Zelfs de legendarisch Fausto Coppi moest nederig het hoofd buigen. Maar hoogmoed komt meestal voor de val. Quasi tijdens mijn wegdroomsessie kwam Coppi uit het niets naast me rijden. ‘Niet met mij hé manneke.’ De almachtige Coppi had mij bijgebeend. Met hem viel niet te spotten. Hij was nog zo genadevol om mij te sparen tot over de Lautaret, tenminste, als ik hem in mijn zog liet dalen. Ik moest geen twee keer peinzen, we gooiden het zo op een klein akkoordje. Zo kwamen we samen aan de voet van de Galibier, de opperalp. De voorsprong was geruststellend: twaalf minuten.

Twee Italianen, op kop in de Tour, op de Galibier. Een van ons twee nam vandaag de Gele Trui met zekerheid over en bracht hem veilig naar Parijs. Het verschil in de stand was amper vierendertig seconden, veel marge had ik dus niet. Ik keek even in zijn ogen, en wist genoeg: ik was de onderdaan. Fausto had het allemaal op een rijtje, en liet me ook het kopwerk doen. Nu ik zowat door mijn beste krachten heen zat, nam de moordende hitte mij even onder handen. Mijn huid verschroeide, het leek wel of ik levend verbrand werd. Gelukkig bracht een supporter met een hele emmer fris water soelaas. Ook Coppi had bijzonder veel last van de zon, ook voor hem was die verfrissing meer dan welkom. En zo ging het nog een tijdje, tot we op vijf kilometer van de streep kwamen. De temperatuur was al een eindje gezakt door de hoogte, en blijkbaar kon mijn lichaam door de lagere temperatuur andere reserves aanspreken dan in die hitte. Plots voelde ik me bijzonder sterk, zowel fysiek als mentaal. Ik ging op de trappers staan en trok van kop af heel stevig door. Coppi loste. De almachtige Fausto Coppi, waar ik een eindeloos respect en fascinatie aan overhield, loste. Ik voelde me machtig. Keizer in mijn wielerkoninkrijk. Maar abrupt kwam er daar een klein Italiaan op mijn gouden grote poort duwen, en zette me meteen met de voeten op de grond. Coppi speelde een fenomenaal theaterstuk en maakte in enkele fracties van een seconde de achterstand van tien seconden goed. Hij liet me meteen zelfs ter plekke, na me eerst met vurige ogen aangekeken te hebben. Opnieuw was ik de onderdaan, maar deze keer vocht ik voor wat ik waard was. Werkelijk alles wat ik in mijn lijf zitten had gooide ik in de strijd. Het leverde op: met nog een dikke kilometer voor de boeg zat ik weer lekker zijn achterwiel te zuigen.

Plots zag het er weer rooskleurig uit. Nu was het zaak om Coppi bij te houden, en de Tour de France was binnen. Maar even later ging het licht helemaal uit. Net op het moment dat Fausto onwaarschijnlijk hard tekeer ging. Het was gedaan. In enkele honderden meters tijd kreeg ik veertig seconden aan de broek. Aan de streep bolde Fausto even uit, waardoor ik nog een waterkansje had om nog net zes seconden van die achterstand goed te maken. Ik slaagde bijna in mijn opzet. Bijna. vijfendertig seconden was het loodzware verdict. Totaal kapot gemarteld viel ik neer op de grond. Even later viel alles stil: ademhaling, hart en logischerwijs ook de hersenen. Reanimatie baatte niet. Ik was niet meer. God strafte me om beter te willen zijn dan de oppermachtige Fausto Coppi, die misschien niet de grootste renner aller tijden was (Merckx weet je wel), maar wel de sterkste. En ik werd zijn offer, een voorbeeld van hoe je legendes legendes moet laten blijven, en hun beeld niet moet proberen te beschadigen.

Het irriterende getater van een op holgeslagen wekker bracht de verlossing uit die kastijding.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(20)

‘Al goed dat je niet hebt meegereden met Coppi in je bed, anders was je nu invalide voor heel je leven’, schaterde Damiano met een cynisch lachje. Ik hoopte dat achter deze droom geen boodschap achter zat, anders was ik duidelijk gejost. Hoe dan ook, het was maar een droom. Al was het wel frappant dat mijn fascinatie voor Fausto Coppi zo’n grote vormen aannam dat ik er zelfs in mijn diepste slaapkringen mee bezig was. Maar ik negeerde het verder, er moest vandaag gekoerst worden.

De rit was heel wat rustiger dan gisteren. Slechts één vluchter vandaag: Gorik Gardeyn. Het zonnetje in huis op deze drijfnatte winterdag. Doordat het wegdek al gauw veranderde in een spiegel, vergde deze rit toch enige concentratie. Als bij wonder werden er geen valpartijen gesignaleerd tot aan de finale. Gardeyn had op een vijftiental kilometer van het einde nog een voorsprong van een kleine minuut vergaard. Cofidis en Lampre voerden opnieuw het tempo aan, wij konden ons nog even afzijdig houden. ‘Ik ben goed Matteo, zorg dat je Damiano als eerste van het peloton af zet, dan zijn we zegezeker.’ Sasha wist dat Damiano minder snel is, en al goed dat hijzelf dat ook wist. Damiano was voor de lastige finales, geen pure sprinter. Echt een type Hushovd of zelfs Oscar Freire. Op kracht. Ik wist dus wat me te doen stond. De opdracht leek duidelijk, tot een massale valpartij overal voor paniek zorgde. Van Colnago stonden Stefano Pirazzi, Gianluca Brambilla en Paolo Locatelli stil op de weg. Ze waren niet betrokken in de valpartij, maar Gianluca had wel met lede ogen moeten toezien hoe leider Leonardo Duque bij een wegversmalling het paaltje aan de linkerkant vol raakte. Na een tuimelperte vlogen vervolgens nog enkele renners als dummypoppen door de lucht. Duque tastte meteen naar het sleutelbeen, een heikel punt voor de wielrenner. Leonardo moest, totaal ontredderd, het toneel verlaten. Het meest toegetakelde slachtoffer was Diego Ulissi. De aanstoker van de vlucht gisteren viel recht op zijn gezicht, net op de stoeprand. Zijn gezicht was door al het bloed en de kneuzingen onherkenbaar bewerkt. Hem wachtte een lange, eenzame revalidatie en een vooral pijnlijke operatie.

Een valpartij zorgt altijd wel voor wat paniek in de hoofden van de renners, maar een coureur wordt wel gekenmerkt door een ijzeren mentale kracht, dus gaan ze gewoon door met wat ze bezig waren. Gardeyn werd ingerekend op vier kilometer van het einde door kopwerk van vooral Simone Stortoni, die zo de belangrijkste schakel werd in het laatste deel van de achtervolging. Daarna nam Lampre over, en kwam ook Liquigas opzetten met hun sprinter Elia Viviani. Op een dikke kilometer van de streep had Elia nog vier man voor zich. Als ik nu niet ingreep, was het verloren. Ik maande Damiano aan om zeer geconcentreerd mijn wiel zo dicht mogelijk te volgen, waarna Damiano ook de boodschap aan Sasha overmaakte. In een flauwe bocht naar rechts nam ik met veel bravoure de binnenkant, en had zo de eerste Liquigas-man al in het vizier. Nog één bocht en dan kon ik vol over die groene brigade denderen.

Die bocht kwam iedereen zonder kleerscheuren door, zodat we een duel tussen Viviani en Modolo gingen krijgen. Veel zou afhangen van mij. Op zeshonderd meter van de streep gaf ik nu plankgas en ging net de man van Liquigas vooraf. We hadden hen schaakmat gezet, want wanneer Damiano doorging, kon Fabio Sabatini niet meteen riposteren. Zo ging Sasha voor de laatste tweehonderd meter vol door, en won hij met een fiets voorsprong op de zwaar ontgoochelde Viviani. Oscar Gatto vervolledigde het podium, van Visconti en Pietropolli was er vandaag geen spoor voorin. Na de finish vloog Sasha in mijn armen en bedankte me voor het voor hem sublieme werk. Ook Damiano mocht beleven dat Sasha een bijzonder tactvolle persoon was. Bruno was in zijn nopjes toen ik hem spotte met een microfoon aan zijn lippen. De kranten waren gisteren al vol lof over mij, nu mochten ze echt gaan vieren met deze mooie zege. Al moest gezegd worden: buiten Duque waren er hier amper niet-Italiaanse favorieten. Maar laat de Italiaanse pers maar even genieten. Het was tenslotte nog maar januari, wat zou dat worden in de Giro?

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(21)

‘Op de meer dan terechte zege van Sasha’! De champagne vloeide, net als de voorgaande dag, weer rijkelijk. Rijkelijk in wielertermen welteverstaan: één glaasje. Sasha kon maar niet zwijgen over mijn aandeel in zijn overwinning, en bevestigde nogmaals zijn ochtendlijke woorden. ‘Ik rijd voor Matteo als hij na morgen hoog in het klassement staat. De kans dat ik die tijdrit goed doorkom is klein.’ Iedereen gaat vlot akkoord. Het deed me bijzonder goed, de erkenning die ik miste het voorbije jaar, was er nu in overvloed. Nu was ik moreel verplicht om het waar te maken, of het kon wel eens zeer lastig gaan worden moest het nu opnieuw verknald worden.

De check-up van het parcours van de rit tegen de klok bracht weinig dingen aan het licht. Enkel dat een echte hardrijder, die zijn hoog tempo dertien kilometer zou kunnen volhouden, de scherpste tijd zou klokken. Om de beurt gaven mijn ploegmaats en de staf hun pronostiek voor morgenochtend. Vele stemmen gingen naar Adriano Malori, de Italiaans kampioen tijdrijden. Een enkeling gaf Visconti of zelfs mijn naam door. Maar ik deed iedereen een beetje vreemd staren. ‘Schrijf maar op: Francesco Montella.’ Damiano knikte goedkeurend, hij was het met me eens. ‘Als er iets is wat hij kan, dan is dit het wel. Jullie zullen wel zien.’ Bruno geloofde niet echt in zijn kansen, maar schreef, om mijn woorden iets te letterlijk op te nemen, zijn naam op een klein, wit stukje papier. ‘Als je gelijk heb, betaal ik je morgenavond een fles champagne’. Zo’n dingen bevorderen de groepssfeer nu eenmaal. Ik voelde me goed in mijn vel in dit team, en ik zag dat Damiano er best ook wel kon aarden, ondanks zijn ietwat verlegen karakter.

Het was kwart voor negen, en aangezien ik in de stand twaalfde stond genoteerd, had ik nog ruim twee uur de tijd om me voor te bereiden. Maar eerst wou ik samen met Damiano en Michele, die op bezoek was, een babbeltje slaan met Francesco, de bergkoning in deze Giro della Calabria. Ik vertelde hem dat ik had gewed met Bruno, Francesco zei me meteen dat het nog iets te vroeg is om zoveel van hem te gaan verwachten. ‘Ik ben goed bezig, maar om meteen hier een tijdrit te gaan winnen, mmm.’ Hij twijfelde duidelijk aan zijn kwaliteiten, maar was wel realistisch. Toch moest hij vol gaan, en dat ging hij zeker doen. De leidersplaats stond op het spel, want doordat er geen bonificaties werden toegekend, stond iedereen die in het peloton eindigde de voorbije twee dagen gewoon in dezelfde tijd als leider Sasha Modolo. ‘En jij Matteo, wat denk jij’? Michele was er op zijn beurt zeker van dat dit iets was dat ik wel aankon. ‘Top tien, dat zou moeten lukken. Gezien mijn vormpeil, in vergelijking met anderen, moet dit haalbaar zijn. En wie weet zit er vanmiddag dan nog veel meer in’. Het waren allemaal scenario’s die mogelijk waren natuurlijk. Deze morgen top tien, vanmiddag mee met de besten en zo op het podium eindigen. De steun van de gehele equipe had ik al meteen.

Eindelijk kwam de zon piepen in Zuid-Italië, daar waar de zon normaliter vrij spel heeft. Nu was het januari, en zorgde de gure wind voor een onaangename voelingtemperatuur. De wind blies in de eerste helft van deze tijdrit vol in het gezicht, dus wie op zijn kracht kon teren, had hier een voordeel in. In hoeverre je voordeel uit wind die op de kop blaast kon halen natuurlijk. Francesco stond klaar op het startpodium als 44ste in het klassement. Klaar in zijn groene bergtrui om misschien wel voor een verrassing te zorgen en mij een godendrankje te bezorgen. Damiano stond op het startblad als achtste genoteerd, ik dus als twaalfde en Sasha als allerlaatste normalerwijs. Moest Francesco niet moeten starten, zaten ik en Damiano nu op de rollen op te warmen. Maar dit mochten we gewoon niet missen. Met een bang hartje zagen we Francesco vertrekken. Onze bijzondere verbondheid werd zo nog maar eens bewezen. Moest één van ons vallen, zouden we minstens evenveel mentale pijn lijden, en omgekeerd natuurlijk ook. De vreugde bij een zege zou immens zijn. Bij de jeugd kwam er telkens een heuse uitbarsting, wat zou dat gaan geven als we de zeges in het profmilieu aan elkaar zouden rijgen. Hoe dan ook, Francesco was van start gegaan en draaide al snel rond in zijn ideale tijdritpositie.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(22)

Francesco trapte goed door. Het parcours was biljartvlak, bochten waren er amper te bespeuren. Enkel die haarspeldbocht in het midden om terug te keren richting Reggia Calabria kon voor dreiging zorgen, maar aangezien het droog bleef, was er weinig risico aan die bocht verbonden. Om toch zeker de finish van Francesco te zien, maakten Damiano, Michele en ik ons breed om aan de andere rijstrook te gaan staan, daar kwamen de renners immers aan. Net toen zagen we de finish van Adriano Malori, die met veel bravoure de eerste positie overnam van Lieuwe Westra, waar we toch meer van verwacht hadden. Hoe dan ook, Francesco was halfweg, en klokte de derde tijd op vier seconden van Malori. Het zat dus goed.

Sasha en Bruno hadden via de wedstrijdradio opgevangen dat Francesco goed bezig was en zocht mij in het publiek, dat gelukkig niet al te dik bezaaid was. Bruno was onder de indruk van de Itera-Katusha-renner, zijn stijl was wonderbaarlijk zei hij. Platte rug, grote versnelling en quasi onbeweeglijk op die positie. ‘Hij won veel prologen en korte tijdritten in de jeugd, op precies dezelfde manier: als underdog. Ik zie in hem de nieuwe Chris Boardman.’ Bruno knikte, ik kon wel eens gelijk krijgen. Ondertussen zag ik Francesco de laatste rechte lijn aanvatten. De klok, bevestigt aan de aankomstboog, tikte genadeloos verder. Maar als ik de richttijd bekeek, zat die eerste plaats er nog altijd in. Francesco stond voor het eerst in deze tijdrit op de trappers en gaf alles wat hij maar kon. De tijd stopte net twee seconden boven die van Malori. De bergkoning was zeer tevreden over het resultaat en wees naar boven, naar Manuele. Voor hem was dit een overwinning, dit was immers zijn eerste profkoers. We snelden naar Francesco toe, met Bruno en Sasha zelfs mee, en feliciteerden hem met deze uitstekende race tegen de klok.

Het was een grappig zicht: Francesco die in de tent waar de voorlopige top drie geduldig wachtte op het eindverdict, grappend en grollend bezig was met Italiaans kampioen tijdrijden Adriano Malori. Daarbij de stille Fries Lieuwe Westra. Hij zat daar nogal bevreesd. Hij wou vandaag de leiding overnemen, nu zou hij al meer dan tevreden mogen zijn met een top drieplaats. ‘Kom Matteo, opnieuw op de rollen jullie!’ Bruno’s harde hand kwam weer naar boven, maar het was wel terecht. Zonder hem stond ik onopgewarmd op het startblok. De volgende van ons team die ging starten was ik, Matteo Cutolo. De andere vijf (Brambilla, Pirazzi, Locatelli, Canuti en Stortoni) reden eerder onopvallende uitslagen, maar deze tijdrit deed er ook niet echt toe voor hun. Ze waren het er roerend over eens: deze tijdrit werd door die felle, gure wind, een marteling. Enkel de sterke beren konden hier een puike tijd neerzetten. Malori één, Francesco twee, Westra drie. De natuurelementen hadden op deze drie kanjers niet al te veel vat.

Die top tien zou lastig gaan worden, maar behoorde zeker tot de mogelijkheden. Na informatie verstrekt gekregen van mijn teammaats en vooral van Francesco was het duidelijk: snel starten, daar waar de wind op kop blies, en na de haarspeldbocht à bloc richting de finish gaan, met de wind mee in de rug. Al hadden ze het alleen maar over die gure wind, die flink in het nadeel blies. Nochtans blies die enkel in het gezicht in de eerste dikke zeven kilometer. ‘Wacht maar af’, zei Gianluca Brambilla. Ik zou nog gaan verschieten kennelijk.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(23)

De tijd vloog voorbij. Toen Oscar Gatto aanzette als zestiende, werd ik gevraagd om me te begeven naar het startpodium. Een beetje koud, ik had me niet optimaal voorbereid door het volgen van de tijdrit van Francesco, stond ik een beetje ongerust te koekeloeren, wachtend op mijn beurt. Wanneer ook de nummer elf zich naar het startblok begaf, gunde ik die man geen enkele blik. Daniele Pietropolli had me belazerd, en moest op niet te veel sympathie rekenen van mijn kant. De wrevel tussen ons twee bleef niet onopgemerkt. Bruno zei dat ik niet zo bot mocht doen, vijanden in de koers kunnen je een zege kosten. Maar toch botvierde mijn gevoel tegenover mijn verstand. Even later trok ik me op gang, klaar voor dertien zware kilometers tegen de klok.

Ze hadden duidelijk niet gelogen. Het eerste lange rechte stuk was er eentje om te totaal kapot op te rijden. De wind blies onnoemelijk hard. Het leek wel of ik stilstond, dacht ik toch. ‘De anderen moesten dit toch ook doorstaan’, pepte ik mezelf een beetje op. Maar ik moest vooral met mijn eigen koers bezig zijn. Na een kleine kilometer vond ik mijn ideale positie, en vanaf toen was het gewoon volle bak tot aan die bevreesde bocht. Eenzaam op die fiets, ik hield er van. Ellenlange solo’s richting de overwinning, ik zou niet liever hebben. Fausto deed zo’n ondernemingen ook graag. Parijs-Roubaix, die hij één keer wist te winnen, was daar het perfecte voorbeeld van. Een tegen de natuurelementen. Een tegen de kasseien. Een tegen allen.

Door mijn robotachtige manier van tijdrijden en denken, werkelijk, ik bevond me in een trance, zag ik bijna die bocht niet aankomen. Nog net op tijd kon ik afremmen en nam ik met vol risico de binnenkant met mijn rechterknie breed openzwaaiend, mijn handelsmerk. Ik en Bruno hadden afgesproken dat hij enkel tijden zou gaan doorgeven, en ik was hem daar dankbaar voor. ‘Zesde op twaalf seconden van Malori. Trek die lijn door Matteo, top vijf is haalbaar!’ Ik was dus wel goed bezig, uitstekend zelf. Prompt schakelde ik een tandje bij en ging ik volledig à bloc, zoals nodig geacht door mijn ploeggenoten. Als motivator is Bruno echt een crack, hij wist dat als hij de tijd van Pietropolli zou doorgeven, ik wel eens een mentale boost zou oplopen. Zo geschiede. Pietropolli was amper drieëndertigste, ik lachte hem op de fiets vierkant uit. Ik was beter, hij was gewoon een arrogante debiel op de vélo.

Ik kon wel wat gewicht in de schaal leggen als het op kracht aankwam. Met mijn meter 78 en 68 kg woog ik meer dan alle klimmers samen. Misschien stond ik zwaar, maar van nature uit was ik al geblokter dan de rest. Mijn klimmerscapaciteiten leden er allesbehalve onder. Ik was een alleskunner, en mijn postuur zou daar niets aan veranderen. Voor die laatste twee kilometer sprak ik krachten aan waarvan ik dacht ze niet te hebben. Ik reed op een wolk richting de finish. De laatste meters voelden koninklijk aan. Bruno schreeuwde me de tijd en positie toe. Ik gaf acht seconden toe op Malori, wat me een voorlopige vierde plaats opleverde. Enkel Visconti achtte ik in staat me nog te kunnen passeren, de top vijf leek binnen. Na een tijdrit zit iedereen piepedood, maar ik vond van mezelf dat ik nog redelijk fris zat. Normaliter nam het melkzuur de bovenhand en was ik een kwartier na een tijdrit een stijve plank, maar deze keer bleef die verstijving uit. Maar goed ook, vanmiddag was het van moeten. Nu mijn top vijf bijna binnen was, communiceerde Sasha via Bruno naar mij dat de gehele ploeg mij vanmiddag naar de eindzege wou leiden. Eindzege?! Dat was van het goeie teveel, vreesde ik. Hoe dan ook, mijn vermoeden over Visconti kwam uit. Hij legde het traject net een seconde sneller af dan mij. Daarvoor toonde Damiano zijn onkunde op een tijdritfiets. Met een vijfenzestigste positie was dit niet meteen een toonbeeld van een uitmuntende prestatie. Gelukkig bezat Damiano tonnen zelfkennis. Dit was zijn ding allerminst.

Het verdict zag er als volgt uit: Malori werd de nieuwe leider en tevens de beste jongere, op de voet gevolgd door de verrassende (voor iedereen behalve mij dan) Francesco met twee luttele seconden. Westra hield juist nog Visconti af, die op zijn beurt mij met een seconde verschalkte. Het verschil met Malori was acht seconden, voor Westra dus zes. Allemaal heel goed speelbaar, en ik besefte dat als ik in de eerste groep aankwam vanmiddag, de top drie in zicht kwam. Malori zou waarschijnlijk wegvallen, zodat Westra, Visconti en ik de top drie in beslag konden nemen. Over Francesco kon ik vreemd genoeg weinig vertellen aan Bruno. ‘Ik weet niet wat ik er van moet denken. Francesco zal nu wellicht kopman zijn vanmiddag, een druk die hij nog nooit heeft gekend.’ Het benieuwde me hoe hij het er van af bracht. Sasha Modolo beëindigde de tijdrit op een positie die geen plaats in de annalen verdiende, maar bleef wel in het bezit van de puntentrui, ondanks de vierde plaats van Visconti, die naderde tot op drie puntjes.

Rond het middaguur zochten Flavio met Michele en Leona mij op in het hotel. Ze waren alle drie in de wolken met de prestatie van Francesco en mij en beloofden vanmiddag aan de streep te gaan staan. Een extra stimulans om er vanmiddag keihard tegenaan te gaan.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(24)

Het startschot werd verwacht rond half drie, ik had nog een uur om me voor te bereiden. Dat deed ik met de mensen om me heen die me het meest genegen waren: Leona, Francesco, Damiano, Michele en sinds geruime tijd opnieuw Flavio, die zich eigenlijk als mentor begon te manifesteren. Onze groep werd hechter en hechter, maar we waren er ons van bewust dat een scenario zoals een dikke drie jaar geleden, toen de selectie van de Napolitaanse wielerclub uit elkaar spatte door een dispuut, absoluut te vermijden was. ‘Je kan winnen vandaag Matteo. Je weet dat de grootste tegenstander jezelf is, en dat zal altijd zo zijn. Overschat jezelf niet, probeer het tactisch uit te spelen en je wint.’ Flavio had makkelijk praten, maar hij had wel gelijk. Bij de Italiaanse nationale ploeg werd me al te vaak verweten een domme coureur te zijn. Eentje die wanneer hij maar wou aanviel, en dat maar enkele keren kon verzilveren. Maar mijn motto is nu eenmaal: aanvallen is de beste verdediging. Er zijn gewoon te veel renners die enkel volgen en veel te veel nadenken. Hoe kwam het anders dat Marco Pantani en vooral Fausto Coppi van mijn kant zo’n bewondering en fascinatie verdienden?

Een kwartier voor de start, geen moment te vroeg, kreeg ik van de organisatie mijn gelegenheidswitte trui overhandigd. In dat klassement stond ik nochtans derde, maar Malori en Francesco Montella hadden al een trui om de schouders. Het gaf me wel een extra stimulans, ik wist meteen waarvoor ik wou gaan knokken vanmiddag. De laatste briefing van Bruno, een kwartier geleden, toonde aan dat in de laatste vijftig kilometer alles ging beslist worden. De eerste tachtig waren voor de show als het ware. ‘We moeten gewoon die koers vanaf de eerste stijgende kilometer hard maken. Lampre en Farnese-Vini zullen wel meewerken, je zal wel zien’. Malori vloeren mocht geen probleem opleveren, maar met Francesco waren we nog niet klaar. We hebben altijd gezegd ons vieren dat we in de koers altijd voor eigen belang rijden, maar als de omstandigheden het toelaten, mekaar helpen geen overbodige luxe zou worden. In deze rit werd Francesco een tegenstrever, na de finish zouden we weer de goeie vrienden van weleer zijn. Het leverde zeker en vast ook gezonde strijd op. De talloze keren dat ik en Francesco op training mekaar bekampten, konden we nu zelfs in de koers gaan toepassen.

De eerste tachtig kilometer waren inderdaad zonder al te veel geschiedenis. Zelfs geen enkele vluchtpoging. De tijdrit van vanmorgen had daar zeker een hand in. Iedereen moest nog een beetje op hun effen komen, en daar was die lange aanloop richting de finale voor geknipt. Het ideale moment om even rond te vragen naar de benen van de tegenstanders. Lef had ik wel om dat zomaar te gaan vragen. Eerst legde ik Malori op de rooster. Het was duidelijk dat zijn ervaring nog niet op punt stond. ‘Ik voel me goed vandaag, volgens mij kan ik nog lang overleven. Hou maar rekening met me.’ Een echte kampioen zei: ‘man, ik voel me slecht. De benen doen niet wat ik ze opdraag, niets lukt. Vandaag kom ik zonder noemenswaardige prestaties aan de streep.’ Zo dwing je bijna de concurrentie tot aanvallen, en wordt de aanvalspositie zo slim weerlegt en de druk op de anderen gelegd. Een Armstrong was daar zoals bekend een crack in. Vraag maar aan Jan Ullrich. Ook Bruno vond het niet al te slim van Malori om zo te gaan verkondigen dat hij goeie benen bezat. In ieder geval, we wisten allebei dat de kans dat Malori vanavond op het hoogste schavotje zou staan smurfenklein was. Even later kwam ook Damiano even naar de volgwagen van Bruno. ‘Ik ga lang mee gaan vandaag, ik voel het gewoon. Matteo wordt vandaag hoogstpersoonlijk door mij en Sasha als één van de eersten naar de streep gebracht, daar kan je van op aan.’ Klare taal van Cranello, en het deed me goed dat Sasha Modolo en Damiano op zo’n korte tijd al een aardige band hadden opgebouwd. Kon altijd van pas komen, en vandaag kon dit enkel in mijn voordeel gaan slepen. Colnago bezat zo de sleutel vandaag om het spel helemaal open te breken.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(25)

De koude deed de renners allerminst deugd. Gelukkig bracht de zon toch een beetje hulp. Het was amper drie graden, wat maakte dat goed opgewarmd aan die finale beginnen een moeilijke klus werd. ‘Iedereen heeft er last van’, zei Visconti tegen me. ‘We zijn ook maar mensen van vlees en bloed, en tegen de natuurelementen is niemand opgewassen. Iedereen strijdt hier met, hopelijk, gelijke middelen, daarin hoef je je geen zorgen te maken.’ Ik kende Gio al langer, en in enkele jaren tijd bouwden we een goeie, zakelijke relatie op. We sloegen al eens een babbeltje, en met zijn ervaring kwam ik vele dingen te weten, zoals daarnet. We keuvelden nog een eind verder, tot Bruno me tot de orde riep. Het was bijna tijd om het vuur te openen. Ons doel was simpel: één voor één mijn mannetjes opsouperen, om fris in de finale te komen met Damiano en Sasha.

‘Let’s go’! Op het eerste, korte klimmetje, zorgden Stefano Pirazzi en Federico Canuti samen met Lampre-, Farnese-Vini- en zelfs Liquigasrenners voor een lastig tempo. Het vuur werd geopend, meteen hingen enkele stervelingen aan de rekker achterin. ‘De deur staat nu al open gasten, ideaal’, riep Bruno door mijn oortje. Het befaamde oortje, hatelijk. Ik had de pest aan het oortje. Enkel voor tijdsaanduidingen mocht het gebruikt worden van mij. Spijtig genoeg verplichte Bruno me het te gebruiken, ik mocht de eventuele belangrijke informatie niet missen natuurlijk.

Een klein bordje aan de rechterkant van de weg verschafte ons informatie over de nog op ons bord liggende kilometers: veertig. Volgens het roadbook dat ik vanmorgen doorbladerde, begon hier ongeveer de langste en steilste klim van deze ronde. Zo’n zes kilometer aan gemiddeld vijf procent. Het ging even pijn doen, maar wanneer we die temden, ging het verder gewoon op en neer met korte klimmetjes. En plots schrok ik van een in een groene tricot gehulde kolos die naast me kwam postvatten. ‘Adriano heeft het nu al lastig. We hebben er allebei baad bij hem nu al overboord te gooien. Wat denk je’? Francesco geloofde dus in zijn kansen vandaag. ‘Ik had opgevangen dat Lampre niet voor Malori rijdt, wel voor Pietropolli. Dus…’ Francesco bevond zich blijkbaar bij de bron. Al die insidertjes. Hij profileerde zich eigenlijk al altijd als spion in de koers. Het was niet de eerste keer dat hij me interessante weetjes gaf over de anderen. Meteen riep ik tot Bruno om nog een extra mannetje te laten sleuren op de kop. Stortoni offerde zich meteen op, en zo kreeg Malori het knap lastig. Hij loste op een kleine kilometer van de top en zou niet meer terug keren, ook al omdat ze bij Lampre niet op hem rekenden. Zo kwam Francesco virtueel aan de leiding, een fijn gevoel voor ons beiden.

De koers denderde voort. Nog altijd hadden we geen aanval gezien, en dat op vijfentwintig kilometer van het einde verwijderd. Visconti maakte zich zorgen. ‘Misschien is het tevergeefs wachten op een climax, maar ik zal het spel hier niet gaan openbreken. Ik verwacht Pietropolli’. Het bleken profetische woorden. Een dikke kilometer verderop gooide Pietropolli ostentatief de knuppel in het hoenderhok. Met veel geste en grinta, kon er eindelijk iemand een beslissing forceren. Meteen ging Brambilla met Damiano in het wiel achter Daniele aan, waarna het peloton op een lang lint werd getrokken. Ergens rond de dertigste positie ontstond er een breuk. Die breuk bleek definitief. De groep, om precies te zijn achtentwintig man sterk, mocht beschouwd worden als de elitegroep. Westra miste de boot, en manifesteerde zich als de grote afwezige. Francesco daarentegen was wel prominent aanwezig, en aan zijn nerveuze attitude wist ik dat hij voelde dat er echt wat in zat. Voor de rest was Colnago met Sasha en mij erbij vier man sterk. De hemelsblauwen waren zo het meest vertegenwoordigde team van deze kopgroep.

Brambilla trok enkele kilometers snedig door, waardoor de groep beetje bij beetje opnieuw uitdunde. Op het moment dat hij de rol loste en ons liet begaan, waren we nog met zeventien. Met nog dertien kilometer voor de boeg was alles dus nog speelbaar. Ik zag Pietropolli met de pedalen spelen, en zag in hem de ultieme motivatie om vandaag dubbel zo sterk terug te slaan. Giuseppe’s gezicht moest episch zijn als ik als eerste over de streep zou komen. Maar opnieuw werden mijn dagdroompraktijken me bijna fataal. Visconti had nog enkele seconden goed te maken en kon niet anders dan op pad te gaan. Damiano moest alles uit de kast halen om het gat niet groter te laten worden, maar in plaats van de gehele groep te laten versmelten, ontstond er een gat achter Damiano. Sasha zat door zijn beste krachten heen en kon het wiel van Damiano onmogelijk houden. Zo reden Visconti en Damiano voorop, en kreeg hij de opdracht toch vol door te gaan, ondanks mij. De twee overgebleven Lampre’s, Pietropolli en de toch verrassende Vitaly Buts, moesten het nu zelf gaan rechtzetten. Buts probeerde met brute kracht nog de twee vogels te gaan vangen, maar het was echt vechten tegen de bierkaai. Met nog zes kilometer te gaan, een klein klimmetje voor de boeg binnen drie kilometer en een achterstand van twaalf seconden was alles nog perfect speelbaar, en kon Colnago een uitstekende zaak doen met Damiano voor de ritzege en ik voor een top drie in het eindklassement. Zo bleef het ook, tot het korte klimmetje uitsluitsel moest brengen. Enkele honderden meters van de top bleef er niets te beleven, de achterstand was zelfs naar veertien seconden gegroeid door vooral Visconti, zag ik nog één iemand iets proberen terwijl ik achteraan het overzicht behield. Het was Daniele, en deze kans op revanche mocht ik niet laten liggen…

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(26)

Visconti kreeg het op de heupen na de late uitval van Pietropolli, en schakelde nog een tandje hoger. Damiano zat al op zijn tandvlees in zijn wiel te zuigen, maar nu moest hij echt over zijn grens gaan om Giovanni bij te benen. Het bleek een marteling voor Damiano, maar hij moest gewoon volhouden. Wie weet herrees hij vlak voor de streep.

Achter die twee vochten ik en Pietropolli op die laatste stijgende meters een verbeten strijd uit. Naast elkaar, bijna een kopie van Poulidor-Anquetil op Puy de Dôme, gunden we elkaar geen enkele blik. De tempo-ontwikkeling die we allebei tot stand brachten had veel weg van de pure adrenaline die vrijkwam door al die woede en frustratie. Tussen ons ging het nooit meer goed komen vreesde ik, maar misschien zorgde dat juist ervoor dat ik hier nog iets uit de brand kon slepen. Gelukkig vonden we elkaar in de afdaling, waardoor het kopduo al snel in het vizier werd gesteld. Beneden gekomen, vlak voor de boog van de laatste kilometer, was het verschil nog amper zes seconden. Ik waagde tot drie keer toe mijn kans om er naar toe te springen. Pietropolli klampte en spartelde twee keer geweldig tegen, maar de derde keer was er te veel aan. In de laatste flauwe bocht naar rechts loste ik Pietropolli, en zocht zo met een verbeten grimas naar Visconti en Damiano, die hun sprint langzaam op gang aan het trekken waren. Door mijn late en riskante uitval bezweek Visconti onder de druk en verloor de Italiaans kampioen zijn koelbloedigheid. Hij ging al vroeg aan, op zo’n tweehonderdvijftig meter van de streep, en leek zo klaar om afgeslacht te worden door Damiano en/of mijzelf, ware het niet dat Damiano volledig choco zat en ik nog van te ver moest komen. Damiano geraakte maar niet uit Visconti’s wiel en ik gebruikte hem nog als springplank om in de laatste vijftig meter toch nog mijn voorwiel voor dat van Visconti te plaatsen, maar mijn poging kwam te laat. Visconti won met een minimaal verschil voor mij en Damiano, en was bijzonder opgelucht dat zijn domme sprint niet werd afgestraft. Pietropolli kreeg nog vier seconden aan zijn broek in de laatste zeshonderd meter, de overgebleven renners uit de elitegroep kwamen zeventien seconden later toe, onder begeleiding van Sasha Modolo.

Giovanni bedankte mij en Damiano voor de geweldige koers en nam nadien de leiderstrui en de puntentrui dankbaar in ontvangst. De teleurstelling in ons kamp was niet al te groot. We streden voor wat we waard waren en konden toch nog de jongerentrui wegkapen door mijn tweede plaats vandaag. Maar wat mij bijzonder veel deugd deed, was dat Francesco standhield voorin, de bergtrui vasthield en de derde stek veroverde op het podium. Zo zag de podiumceremonie er harmonieus uit met drie stralende gezichten, elk van hen blij met de geleverde prestatie. Onze naam was meteen gemaakt, want ook Damiano liet zich gelden vandaag met de derde plaats en een nipte top tien plaats.

Toen we ons richting teambus begaven, kon ik het niet laten om mijn middelvinger op te steken richting Pietropolli en vooral naar Giuseppe. Het eerste deel van de revanche was geslaagd, hopelijk konden er nog velen volgen. Ik verwachtte de volgende dag een sneer van Giuseppe in de kranten richting mij, maar het zou me niet kunnen deren. Saronni, een bijzonder gevierde kampioen in zijn actieve jaren, had zich dik vergist vorig jaar door mij te ontslaan en achter de arrogante Pietropolli te staan in de GP Beghelli. In mijn cocktail van de wraak werd er vandaag een beetje zoetstoffen toegevoegd…

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(27)

‘Verse koffie schat’? Standaardzin ten huize van de Cutolo’s. Leona bracht met een groteske glimlach een heerlijke cappuccino. Ook de andere drie waren onder de indruk van Leona’s koffiekunsten. ‘Grandissimo’, riepen ze in koor. Na een verrukkelijk ontbijt bekeken we de drie kranten die Leona meebracht uit het krantenwinkeltje, die uitgebaat werd door de immer sympathieke Paolo. “La Gazzetta dello Sport†en “Corriere della Serra†besteedden niet al te veel aandacht aan de Ronde van Calabrië, wat nogal logisch was, aangezien een 2.1-geklasseerde koers niet al te veel belangstelling genoot. Maar toch stond er bij allebei de kranten een kader van een halve bladzijde, volledig uitgetrokken om de “Italiaanse geweldenaars van de toekomst†te bespreken. Damiano, Francesco en ik kregen alle lof, Pietropolli werd als een oud stuk huisvuil gerekend en Visconti bleef aan de top als Italiaans vaandeldrager.

Zoals verwacht besteedde “Il Mattinoâ€, de grootste Napolitaanse krant, veel meer aandacht aan hun drie toekomstige helden, en werden onze prestaties met veel trots breed uitgesmeerd over drie bladzijden, en dat voor zo’n kleine koers. ‘Ze maken de Napolitanen weer trots, straks hebben we drie toppers, afkomstig uit onze geliefde stad.’ De Italiaanse media kon als geen ander helden verheerlijken en verafschuwen door ze de grond in te boren. Kijk maar naar Marco Pantani. “Il Pirato†won de Giro en de Tour in ’98 dankzij een grensloze aanvalsdrift, en werd als god aanbeden doorheen heel Italië en vooral in Cesenatico. Maar nadat doping zijn blazoen besmeurde, werd Marco een zondaar van het ten dode opgeschreven wielrennen. De maatschappelijke druk die op hem rustte, joegen hem, samen met de pillen, spuiten en depressies de dood in op Valentijnsdag 2004. Toen ik Pantani ter sprake liet komen aan de keukentafel, waren de drie andere unaniem: ons zou dat nooit overkomen. Het leek er op dat we alle vier graag aan hoogmoedigheid deden, maar net op dat moment toonde Leona zich van een andere kant, die ik nog niet ontdekt had. Ze sloeg haar vuist op tafel en snoerde ons de mond. ‘Jullie zijn nog kleuters in vergelijking met de grootheden als Contador, Evans, Hushovd, Cancellara en Gilbert vandaag. Ze kijken terecht nog neerbuigend naar jullie smurfen. Ik ben er zeker van dat de kans er in zit dat ik in de toekomst te maken hebben met vier toppers in de wielerwereld, maar om daar te komen wacht jullie nog een lang, onnoemelijk zwaar en vooral gevaarlijk traject richting eeuwige roem. En om Coppi te worden, moet je bovenop je fysieke paraatheid ook nog eens mentaal met enorme kwaliteiten gezegend zijn, Matteo. Je komt nog niet eens aan zijn enkels, dus stop allemaal met die hoogmoedigheid en ga vanmiddag keihard trainen, en houd mijn woorden in jullie achterhoofd!’

Ik stond versteld van de preek annex “terug-met-de-voeten-op-de-grond-zettenâ€-methode van Leona. Ik zag de andere drie, met een met verstomming geslagen blik die zich vooral uitte in de argusogen, als van Lam Gods geslagen stil op hun stoel zitten. Leona trok zich terug in de keuken en maakte zo duidelijk dat we hier nu even niet meer gewenst waren. Ook onder ons vier was het akelig stil. Pas een uur later, toen we de voet van de Vesuvius bereikten, volledig uitgedost op de fiets, doorbrak Francesco de stilte. ‘Ze heeft gelijk’, was zijn allesomvattende omschrijving van wat in onze hoofden speelde.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(28)

Michele moest morgen aan de bak in de GP Costa degli Etruschi, dus was hij op dit eigenste moment op weg naar de plaats van het gebeuren. Ondertussen contacteerde Bruno Reverberi me per mail. Ik had de mail ’s middags zien toekomen, maar opende hem pas ’s avonds uit noodzaak. Het was immers de verjaardag van de moeder van Leona en daar moest ik natuurlijk, als ideale schoonzoon, bij zijn. Betreffende onze kalender bood hij mij het volgende programma aan:

Giro di Sardegna, vijf etappes (februari)

Tirreno-Adriatico, zeven etappes (maart)

Milaan-San Remo (maart)

Giro dell’Appennino (april)

Giro dell Trentino, vier etappes (april)

GP Industria & Artigianato – Larciano (april)

Giro d’Italia, eenentwintig etappes (mei)

Giro della Toscane (juni)

Italiaans kampioenschap op de weg en tijdrit (juni)

GP Citta di Camaiore (augustus)

Giro del Veneto (augustus)

Giro dell’Emilia (oktober)

GP Beghilli (oktober)

Milaan-Turijn (oktober)

Giro del Piemonte (oktober)

Ronde van Lombardije (oktober)

Hij wou mij volgende week, samen met Damiano, spreken in verband met de kalender. Wat meteen opviel is dat hij me doorheen het gehele jaar liet koersen. Maar het beste nieuws stond onderaan in een voetnoot. ‘Voor onze doelstellingen, die netjes in het vet staan aangeduid, ben je al zeker van een selectie, mits we een wildcard ontvangen natuurlijk. Dat lijkt echter een formaliteit.’ Ik viel bijna letterlijk van mijn stoel. Snel riep ik Leona erbij om het goeie nieuws te melden dat ik meteen in de grote koersen mocht meestrijden. Vooral Milaan-San Remo en de Giro stonden met stip genoteerd.

Wat Bruno bezielde om ons, Damiano kreeg dus identiek dezelfde kalender toegestuurd, nu al zeker te laten zijn voor de topkoersen, Joost wist waarom. We hadden allebei eens een goeie koers gereden in Calabrië, maar enkel op basis van die eerste koers conclusies trekken… Nog in de mail stond er een dringende vraag naar een trainer. Bruno en de andere twee ploegleiders van Michele en Francesco hadden ons de verantwoordelijkheid gegeven om een gemeenschappelijke trainer te vinden op eigen houtje, maar daar moest nu dringend werk van gemaakt worden. Ik contacteerde meteen Flavio en vroeg hem of hij connecties had bij één of andere coach. ‘Ik kan wel wat voor je doen Matteo, zeg me wanneer en ik kom met iemand af.’ Ons kort gesprekje leverde als afspreekmoment volgende week donderdag op, de zestiende februari. De afspraak met Bruno werd woensdag gepland. Konden we hem meteen melden dat er werk werd gemaakt voor de aanwerving van een coach. Intussen stuurde Michele een bericht met daarin het goeie nieuws zonder problemen aangekomen te zijn in San Vincenzo, waar morgen de Costa Degli Etruschi zijn start zou gaan kennen. Hij maakte meteen zijn aanvallende intenties duidelijk, weliswaar om tot de traditionele kopgroep te behoren. Dit parcours was immers niet selectief genoeg en Michele wou toch profiteren van zijn vrije rol die Igor Poberyy hem gaf voor morgen. De wedstrijd konden we via de satelliet volgen morgenmiddag, zijn grootste supporters zouden dus thuis zitten.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(29)

‘Kan je je inbeelden dat Michele voor onze ogen op de grond gaat?’ Het was een vreemde vraag van Leona. Blijkbaar was ze er niet al te gerust op, en twijfelde ze er zwaar aan om wel te kijken met ons allen. ‘Dit mogen we toch niet missen Leona. Nadat we niet zijn meegereisd, kunnen we het ons niet permitteren niet te kijken me dunkt.’ Francesco overtuigde Leona zo om ons voor de beeldbuis te zetten straks, al was het met een bang hartje.

Het voordeel van integrale uitzendingen: je mocht het gevecht van de coureurs aanschouwen die allemaal in de kopgroep wilden belanden. Wanneer de wedstrijddirecteur ijverig met zijn vlag begon te zwaaien, brak de aanvalskoorts al snel uit. Lars Boom trok meteen goed door, en kreeg in eerste instantie enkel Giacomo Nizzolo en Andrea Masciarelli mee. Het was vreemd om zien dat maar drie renners de sprong waagden. Toen hun voorsprong naar geruststellende oorden werd geleid, kreeg Oekraïner Kostyuk het op zijn heupen. Hij bracht een ploegmaat mee. ‘ ’t Is Michele! Wat een beest is het toch!’ Damiano had het heel goed opgemerkt. Met veel bravoure snelde Michele samen met Kostyuk naar de kopgroep, het peloton beleefde luie momenten en maakte geenszins aanstalte dit gedrag te veranderen. ‘We gaan hem niet teveel moeten missen in beeld denk ik zo, kunnen we geen doemscenario’s bedenken’, zei ik tegen Leona met een plagende toon. Toch zat ze daar, nerveus als wat. Damiano, Francesco en Michele waren op korte tijd ook haar vrienden geworden, ze stelde haarzelf elke dag in dienst van ons. Ze zei al eens op een onbewaakt moment dat het beste dat we konden terug doen gewoon winnen was. Ik beloofde haar dat zo’n moment er spoedig zou aan komen.

‘Bergop is hij gewoon de sterkste, kijk eens met welke souplesse hij Boom uit de wielen rijdt, ongehoord!’ We waren het er unaniem over eens: Michele was de drijvende kracht in de kopgroep, en dat zonder overdrijven. ‘Alleen spijtig dat Lampre Petacchi absoluut naar de zege wou loodsen.’ Het maakte dat de situatie simpel was: Petacchi of een vluchter op het podium. Een sms verstoorde mijn concentratie op het scherm. Ik bekeek het berichtje en maakte met een glimlach duidelijk aan de rest dat Flavio even wou binnenwippen, nu hij in de buurt was. Zonder ook maar iets te vragen aan Leona stond ze recht en ging koffie zetten. En dan zagen vrouwen dat we te weinig doen in het huishouden. Ja, als ze per se alles zelf willen doen…

Door de aanwezigheid van Flavio kwam de wedstrijd meer op de achtergrond terecht. Pas toen Francesco er ons attent op maakte dat Nizzolo lek reed, was onze enige interesse plots weer Michele. Flavio had het daarnet over onze coach die hij naastig zocht. Met de geruststellende doch voorzichtige zekerheid dat hij volgende week iemand zou vinden, sloot hij het onderwerp af. Ik hoopte zo dat hij ons vertrouwen niet schaadde, want eigenlijk lag een deel van onze toekomst vanaf nu in zijn handen. ‘Michele kan hier winnen’, zei Flavio nogal sic. Als we de nog af te leggen kilometers naast hun voorsprong legden, kon Flavio het wel eens bij het rechte eind hebben. Drie minuten voor de laatste twintig kilometer zou voldoende moeten zijn, zeker met een beer als Boom in de buurt. Lampre maakte dan wel jacht, het zou bijzonder link gaan worden. “Michele zal moeten aanvallen want Kostyuk zal nooit of te nimmer de sprint aantrekken voor hem. Die Oekraïner is snellerâ€. Michele had inderdaad geen sprint, dus zou hij volop de kaart van het offensief moeten trekken. Het overleg tussen beide collega’s verraadde veel. Michele zou naar alle waarschijnlijkheid zijn sprint aantrekken.

Het werd nog nipt, maar het grote pak zou, met een achterstand van een kleine halve minuut op een kilometer van de streep, tekort komen. Hoezeer Lampre ook hun best deed om Petacchi in stelling te brengen. Michele zat in laatste positie, met voorin net Kostyuk die nog zijn laatste beurt voor zijn rekening nam. Michele probeerde op de verrassing te spelen en ging met een ultieme krachtsinspanning versnellen vanuit de rug van de anderen. Doordat Kostyuk als eerste reed, liet hij het gat slim vallen, waardoor Michele meteen de situatie speelbaar maakte met enkele meters. Ons vijven zaten bijna al onze nagels afbijtend op het puntje van de fauteuil. We zagen Michele nog altijd met veel grinta het zware tempo opleggen, maar Andrea Masciarelli was kennelijk al tevreden met een top vijf en nam de anderen in zijn slipstream mee richting Michele. Na enkele flauwe bochten naar rechts kwam Michele met een twintigtal meter voorsprong in de laatste driehonderd meter terecht. Kostyuk zat ideaal in het wiel van Boom, die klaar zat om de riskante sprong te wagen. Michele zette zijn sprint in, en had volgens Rai Sport nog drie volle tellen over op tweehonderd meter van de lijn. Ondertussen stonden we allemaal recht, klaar om een eventuele zege met champagne te bekronen.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(30)

Die laatste meters duurden eindeloos. Zowel voor Michele, dat zeker en vast, maar ook voor ons. Maar het mocht niet zijn. Masciarelli offerde zijn eigen kansen op om Michele achterna te gaan, en zo zat Andrea in zijn wiel op honderdvijftig meter van de streep. Boom en Kostyuk zetten meteen hun sprint in, maar Masciarelli wou ook nog mee glippen. Michele stuurde net even naar links, weg van die nadar, maar dat werd hem fataal. Masciarelli raakte zijn achterwiel en bracht zichzelf en Michele uit evenwicht. Michele knalde tegen die uitstekende pootjes van de nadar en met een klap, voorafgaand aan een snelheid van een kleine zestig kilometer per uur, belandde Michele onaangenaam met zijn heup tegen het asfalt. Masciarelli vloog recht op zijn zijde, en leek minder gehavend te zijn. Volledig in paniek na de val belde ik naar Bruno, om het telefoonnummer van Igor Poberyy te kunnen bemachtigen. Bruno keek ook live naar de wedstrijd en stelde voor om zelf contact op te nemen met Igor. Na het telefoontje viel de doodse stilte in de woonkamer. Leona zette zich tergend traag neer in de sofa met de tranen in de ogen, ik en Damiano ijsbeerden de gehele ruimte af. Flavio bleef onbeweeglijk staren met zijn mond open naar het scherm kijkend en Francesco kwam Leona troosten, die ondertussen haar tranen de vrije loop liet. De afloop van de sprint bleef een raadsel. Niemand had gezien dat Kostyuk Boom klopte met een halve lengte, maar toch niet met volle vreugde de armen in de lucht stak. Ook hij had de tuimelperte moeten aanschouwen, en dat van op de eerste rij.

Michele bleef roerloos liggen aan de rechterkant van de weg. Het aanstormende peloton hield zich in, Petacchi pakte de vierde plaats maar de rest bolde rustig over de streep. Masciarelli kon ondertussen recht kruipen en beëindigde zelfs nog zijn wedstrijd, maar Michele was belange niet in staat zijn weg verder te zetten. ‘Bekkenbreuk. Ik vrees voor een heupbreuk jongens’, siste Flavio tussen zijn tanden. Respons bleef uit. De stilte werd onderbroken door het verlossende telefoontje van Bruno. ‘Igor wist zelf nog van niets officieels, maar vreest voor een heupbreuk en eventueel dijbeenbreuk.’ Zonder een bedankwoordje brak ik de lijn af, en dacht aan de Tour van 2003. Beloki weet je wel… Ook Damiano had hetzelfde gedacht nadat ik de voorlopige diagnose van Igor aan de anderen vertelde. Beloki brak zijn heup –en dijbeen, en kon daarna nooit meer op hoog niveau presteren. Michele mocht dan nog jong zijn, dit kon nefast zijn voor zijn eerste profseizoen.

Niemand wil zo’n avond beleven zoals vandaag het geval was. Aan de eettafel, nog altijd met Flavio aanwezig, smaakten de variatie pasta’s absoluut niet. Normaliter waren Francesco, Damiano en ik nu de Vesuvius aan het beklimmen, maar we waren alle drie niet in staat ook maar een trap te geven op die fiets. ‘Gebruik deze avond om te treuren, om alle frustraties en emoties naar buiten te laten komen, maar morgen wil ik dat jullie de draad weer opnemen als volwaardige profs.’ Het konden zo de woorden van Bruno geweest zijn, maar nu kwamen ze uit de mond van Flavio. Uiteraard had hij het bij het rechte eind. ‘Zekerheid zou soulaas brengen, al was het maar om die twijfels rondom Michele weg te werken.’ Inderdaad, we hadden nog niets vernomen van Michele, wellicht lag hij nu in het ziekenhuis van Donoratico, de aankomstplaats van vandaag. We vreesden allemaal met die twijfels in ons bed te kruipen, maar rond half elf bracht Michele eigenhandig de verlossing.

Het telefoontje werd met de nodige opluchting onthaald. Michele had een heupbreuk opgelopen, en het zou zo’n twee à drie maanden duren vooraleer hij weer de competitie mocht aangaan. De Giro zou nipt worden, de Tirreno-Adriatico en Milaan-San Remo mocht hij nu al vergeten, al waren die twee koersen niet echt van belang voor Michele. Hij had zijn zinnen immers gezet op de jongerentrui in de Giro. Hoe dan ook, we waren opgelucht dat er eindelijk nieuws was. Dinsdag zou hij naar hier gebracht worden, waar Leona hem met veel liefde verder wou verzorgen. We waren één familie geworden, en Flavio rekenden we daar meteen ook bij. Een zeskoppige bende die nooit of te nimmer een breuk zou kennen, tenzij het noodlot zou toeslaan. Maar na Manuele’s dood hadden we onze portie noodlot al binnen. Hoopten we.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(31)

Als er één iets was dat Leona en ik gemeen hadden, was het onze passie voor het schrijverschap. Zij uitte dat in haar studies, ze studeerde in Napels literatuur, en ik waagde in mijn jeugd tijdens melancholische buien, toen ze nog talrijk aanwezig waren, mij aan een lap tekst om mijn tristesse te overwinnen. Nu was ik in principe gelukkig, maar even had ik nu wel zo’n bui. Een bui waar het negatieve het positieve verdoemd en waar alles rond de kleur zwart en het werkwoord zwart kijken stond. Mijn passie voor de literatuur kwam aan het licht toen ik, als ukkie van oh god dertien jaar, een passage uit Stieg Larsson’s “Mannen die vrouwen hatenâ€, het eerste deel van de Millenniumtrilogie, voorgeschoteld kreeg in school. Het was geen verplichte lectuur, maar juist dat zorgde voor een paradoxe situatie. Ik rende naar de plaatselijke bibliotheek en maakte me meester van Stieg’s eerste boek. Mijn interesse was meteen gewekt. Enkele jaren later, als 16-jarige puber, kende die fascinatie allerminst een einde. Zo nam ik het dikke laatste boek van de reeks van Larsson mee op de fiets tijdens een training. Een tussentijdse pauze ging dan ook volledig op in het bevoorraden van proviand en enkele pagina’s leesplezier.

In zo’n impulsieve bui wou ik eens kijken of ikzelf niet over een uitstekende pen zou beschikken. Zo’n drie maanden hield ik een dagboek bij, daarna werd het klein blauw boekje met een afgeprinte foto van wie anders dan Fausto Coppi op de cover vooral uit de kast gehaald om me uit de droefenis te halen. Zoals nu dus het geval was. Ik nam een pen, gekregen voor mijn 18-jarig bestaan van een verloren oom, en begon te schrijven.

Meer dan een harde kop heb je niet nodig

Je slaat tijdens de Tour de France de krant open. Wat zie je? Naast de standaardtabellen, -kaders en –statistieken een gedetailleerd verslag van een zoveelste etappe in de o zo rijke Tourgeschiedenis. Een foto van de winnaar ontbreekt nimmer, de onfortuinlijken krijgen daarbij ook een plaatsje. Maar heroïek? Daarvoor is het wielrennen te groot geworden. Geld. Het in principe waardeloze voorwerp, dat verschillende gedaantes bevat, neemt de gehele wereld over. Na het voetbal, waar letterlijk met miljoenen gesmeten wordt, moet ook de koers het ondergaan. Tel de sponsors van de Tour, en je komt aan een indrukwekkende lijst. Je valt achterover als je hun sommen bij elkaar telt die ze neerleggen om überhaupt sponsor te mogen zijn. Elke renner wordt nauwgezet opgevolgd, de foutenmarge is weggewerkt. “Mental coaches†zoeken werk en maken de hoofden van de protagonisten, de renners, compleet gek. Vroeger keken de verslagenen vooruit en kwamen nog sterker terug, nu wenen ze in een hoekje en denken dat het einde van de wereld nabij is, om de volgende dag als eerste over de streep te komen. “Mentale weerbaarheidâ€, is het maatschappelijk geaccepteerde woord voor dit fenomeen. Jaja, zal wel. Die “mental coaches†hebben ook werk nodig. Vroeger waren de renners een team op zichzelf. Ze waren hun eigen mental coach, mecaniciens waren volledig overbodig want ze zorgden zelf voor al het materiaal en ze deden niet liever dan de tactische aanwijzingen van de ploegleider recht in de prullenbak te gooien. Wanneer men viel, zwaar toegetakeld of niet, was het eerste wat ze wilden: verder fietsen. Nu blijven ze vijf minuten voor dood liggen om dan als een verrezen Jezus terug het peloton in te duiken, met behulp van ploegwagens. Dat laatste is misschien het enige dat nog aanwezig is van de vervlogen tijden. Koersdirecteuren manipuleerden de uitslag, veranderden op het laatste moment het parcours en wilden dolgraag een winnaar uit eigen land of eentje die op een goed blaadje stond bij hun. Renners accepteerden ethisch deze wanpraktijken niet, maar bleven streven naar hun doel, en dat zonder morren. Nu krijgen ze het al benauwd als er een verkeersdrempel ligt op het parcours.

En dan moet het meest verwerpelijke nog komen: die verduvelde oortjes. De koers is één grote fabriek geworden, met als productie overwinningen die vooral veel geld in het laatje brengen. Renners zijn robots, die hun eigen wil, mening en objectieven niet meer doordrukken. De ploegleider boetseert de renners in de door hun gewenste vorm. Van het vast stramien kopman – knecht – vrije rol wordt zelden nog van afgeweken. Het resultaat wordt voor een groot deel afgedwongen in de ploegwagen. Eigen instinct volgen wordt alleen nog toegepast door renners die alles aan hun laars lappen en trachten de basis van het wielrennen, aanvallen om te winnen, terug te halen. In plaats daarvan word je scheef bekeken door de mensen die bovenaan staan. Koers maken is verboden. Zo krijg je nooit meer de heroïsche momenten en epische mislukkingen van weleer. Coppi die één van zijn beruchte solo’s opzet? Pure lef en klasse. Ook al liep hij meerdere keren tegen de lamp in de koers. Renners die puur op woede als eerste over de streep komen? Op wie moet je nu boos worden, op de pers zeker. Nu zit praktisch iedereen boos en vol woede op de fiets, wanneer er weer iemand in verband wordt gebracht met doping of zijn onkunde in een wedstrijd met een vergrootglas wordt bekeken in een krant. Maar goed, die oortjes. Gooi die dingen weg. Renners die zagen dat de veiligheid daarmee in gevaar is, hebben schrik om het asfalt te likken. Wat deden ze vroeger? Toen er nog geen snufjes bestonden, technologie in het algemeen? Koersen, en wachten op wat komen ging. Er bestaan nu zoveel randmiddelen om heikele punten op het parcours aan te geven. Motards kunnen in principe ook aankomende gevaarlijke situaties aangeven. En wie tijdens de aanwijzingen niet oplet, geen nood. De mens heeft een tong gekregen voor iets, en voor je het weet is heel het peloton ingelicht door de mond-tot-mondcommunicatie.

Tot zover de afbreuk aan de hedendaagse wielrennerij. Het is verre van zo slecht. Vroeger waren de omstandigheden allesbehalve ideaal. Een dode was vooral geen uitzondering. Enkel werd er toen echt gekoerst, man tegen man, en enkel de sterksten in het hoofd en in de benen overleefden. Nu wint men door tactisch te koersen grootse wedstrijden, maar zo erg is dat niet. Intelligentie is nu eenmaal een fenomenale eigenschap van de mens, en als je daarmee iets naar je hand kan zetten? Waarom niet. Wielrennen blijft een mooie sport, zoniet de mooiste van allemaal. Hier zien stervelingen tenminste af, hier gaan ze tot het uiterste en nog veel verder, hier zetten ze op gevaarlijke wegen alles op het spel. De Tour is een commercieel circus geworden, maar dat heeft ook zijn charmes. Nu is wielrennen een sport waar je over kan praten met de buurman en toevallige voorbijganger, zelfs al woon je in zuidoost Mongolië (met enige overdrijving uiteraard).

En toch wil ik ooit, samen met Francesco, Damiano en Michele, een wielerploeg oprichten dat terug wil naar de basis van de race op twee wielen. We verbannen de oortjes, we worden aangemoedigd door overenthousiaste en geschifte ploegleiders achter het stuur. Jonge veulens komen binnen in de ploeg en verlaten ons als echte venten. Er wordt aandacht besteed aan het harden van de mens, om op en over je grens te gaan en die dusdanig ook te verleggen. Geen “mental coaches†die op je gemoed inpraten en met halve leugens je kop zot maken, wel ervaren mensen die je proberen te wapenen tegen een volgend drama door keihard voor de dag te komen. Met z’n vieren worden we kopman, elk op onze eigen terreinen, maar wordt iedereen op gelijke voet behandeld. Of dit nu volgend jaar of in de nadagen van ons koersbestaan wordt gerealiseerd, maakt niet uit. Maar ooit maak ik die droom waar met mijn beste vrienden.

Tevreden over het resultaat leg in het boekje naast me neer en val in slaap, naast een snurkende en kwijlende Leona.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(32)

Het restaurant waar Bruno wachtte op ons was meer dan degelijk. Veel restaurants had ik nog niet binnengewandeld, mijn vader had daar geen geld, tijd en zin voor, dus kende ik de gastronomische wereld in Napels niet. Bruno verstond zich er niet aan. Damiano daarentegen beleefde een veel kleurrijkere jeugd. Hij was hier al enkele malen geweest en had smaak voor goeie dingen op gastronomisch vlak.

Bruno haalde meteen alle documenten boven en was in de wolken met het eerste. ‘De Tirreno-Adriatico is nu al binnen jongens, dankzij jullie prestatie in Calabrië. Jullie mogen je dan ook opmaken voor acht topdagen, want ook in San Remo mogen we aantreden, en jullie zitten nu al in de selectie.’ Damiano glunderde, ik lachte mijn tanden bloot. Milaan-San Remo was voor mij een heilige koers, waar alle grote renners als eerste mochten vieren. Merckx, Girardengo en Coppi, grootheden in onze sport. Terwijl we werden bediend van een alcoholische aperitief, bezorgde Bruno ons nog even de kalender. ‘De vetgedrukte wedstrijden zijn de belangrijkste. Van de eerste twee zijn jullie dus al zeker, de Giro en Lombardije zien we nog wel. Als het even kan maken we koers op het Italiaans kampioenschap, en gaat één van jullie twee met de trui lopen.’ Allemaal goed en wel, maar het was frappant dat we vanaf de Giro di Sardegna quasi constant aan de bak moesten. Enkel in de schaduw van de Tour en Vuelta moesten we niet aan de bak. ‘Mijn programma houdt geen rekening met de nationale selectie. Jullie weten, Londen 2012 komt er aan, en op het einde van het jaar wordt er in Valkenburg gereden om een regenboog. Paolo Bettini is natuurlijk de coach, dus probeer jullie in de gratie te rijden. Wie weet zit een strijd voor de wereldtitel er in, en met veel geluk mag je aantreden op het hoogste goed: de Olympische wegrit.’

We waren onder de indruk. Bruno gaf ons allebei het gevoel dat we nu al de speerpunten waren in het team. ‘Op Sardinië wordt er doorgaans goed doorgekoerst. Bewijs mij dan dat jullie mijn vertrouwen waard zijn. Met één druk op de knop kan ik jullie deelname in de Tirreno en San Remo opzeggen, houd dat goed in jullie achterhoofd. Hoe zit het met jullie trainer?’ Flavio belde vanochtend nog om nog maar eens te bevestigen dat hij op zoek was. Hij had bijna iemand aan de haak geslagen en wou morgen al komen om de laatste dingen met de man te bespreken. Bruno was blij dat we zijn vertrouwen en onze verantwoordelijkheid niet beschadigden, en zo konden alle paperassen naar de achtergrond verdwijnen. ‘Laat ons hier maar een goeie snack eten. Ik hoop dat jullie vandaag niet trainen, anders zal je maag je wel tegenhouden’, schaterde Bruno met een knipoogje.

‘Bongiorno.’ Die stem klonk vertrouwd, en na de binnenkomst thuis werd dat gevoel bevestigd. Michele kon een ziekenhuisbed regelen en lag nu als een tijdelijk immobiel persoon te genieten van de goeie zorgen van Leona, die hem geregeld iets te drinken aanbood. Ook Francesco bevond zich in de woonruimte. ‘Volgende week, de negentiende, moet ik aan de bak in Laigueglia, ik ga dus niet mee naar Sardinië.’ De ontgoocheling was niet al te groot, ik had immers Damiano nog, en het belangrijkste was nog altijd onze eigen carrière.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(33)

Het stevig trainingsuitje deed deugd na een dag uit roulatie te zijn. De Vesuvius lieten Damiano, Francesco en ik vandaag links liggen, in plaats daarvan gingen we op zoek naar een nieuw traject. Napels heeft natuurlijk niet enkel de Vesuvius, de talloze heuvels rondom dienden zich ook prima aan om op te trainen. Opnieuw konden we het niet laten even de benen te testen op één van de stevige klimmetjes die de regio rijk waren. Francesco trapte bijzonder goed door, zijn kracht vandaag liet het beste verhopen. ‘Mijn topvorm is misschien dichter dan ik denk, al hoop ik dat die pas komt in de Tirreno, als ik daar kan starten tenminste.’ Daaromtrent was er nog enige twijfel. Als continentaal team kon Itera-Katusha niet direct aanspraak maken op de grote koersen, al maakte Francesco daar niet echt om. Voor hem was een Trofeo Laigueglia bijvoorbeeld even belangrijk, op dit punt van zijn carrière uiteraard. Damiano volgde Francesco gezwind, ik reed op mijn eigen tempo, met de handjes losjes op het stuur naar boven. Tegen dat we vier kilometer verder op de top aankwamen, stond ik al te wachten op de andere twee. In één ruk maakte ik de achterstand goed, waarna we samen even plaatsnamen op een bankje bovenop de heuvel, die ons een perfect uitzicht gaf op Pompeii.

Een dikke tien minuten later waagden we ons aan de steile afdaling. Je zou denken dat we na de dood van Manuele met de billen dicht ons in de afzink zouden begeven, maar niets was minder waar. De Italiaanse wielerbond zorgde voor een psycholoog voor heel het team, en zorgde ervoor dat we alle vier, met Michele er dus bij, van dalen ons sterkste punt maakten. Dat toonde ik ook in Calabrië, waar ik in de afdaling voor furore zorgde door Visconti en Francesco terug te gaan halen. Cols waren vanaf het punt dat we over de dood van Manuele geraakten een speeltuin, zowel bergop als bergaf, al moesten Francesco en Damiano eerder harken om snel boven te geraken, die achterstand konden ze met ware doodsverachting in de afzink weer goed maken. ‘Een goeie daler is iemand die mentaal een sterk renner is. Verstand op nul en naar beneden afglijden, zonder de risico’s indachtig te zijn, maar toch doordachte beslissingen nemend.’ De dood van Manuele had ons gesterkt, we geloofden allemaal dat Manuele meefietste met ons. Hij werd sinds zijn dood onze hevigste supporter, en door stijlvol te dalen toonden we hem dat we mentaal sterk genoeg stonden om over zijn overlijden heen te geraken.

We merkten bij onze thuiskomst een vreemde auto op. Een Alfa Romeo waarvan we het nummerplaats allesbehalve herkenden. Flavio kwam juist buiten met een lange, smalle man, strak in het pak, zo rond de vijftig jaar oud. Flavio was onder de indruk van de Alfa Romeo, dat zag je meteen aan de manier hoe hij de velgen inspecteerde en het interieur tot in de details inspecteerde. Toen de man zijn wagen volledig geshowd had, stelde Flavio hem voor. ‘Dit is Moreno Argentin, ongetwijfeld door jullie gekend als de Italiaanse wielerheld uit de jaren ’80. Na enkele jaren het wielrennen vaarwel gezegd te hebben, begon het weer te kriebelen. Doordat ik goeie contacten houd met Moreno, vroeg ik hem of hij de job als wielercoach wel zag zitten. En nu staat hij hier om de laatste details te bespreken. Het is een echt vakman.’ Argentin was in mijn ogen een groot coureur. Zijn recordaantal van vier overwinningen in Luik-Bastenaken-Luik bevestigde dit, en daarnaast won hij ook enkele keren de Waalse Pijl, “Vlaanderens Mooisteâ€, de Ronde van Lombardije en het wereldkampioenschap in 1986 die dat jaar plaatsvond in Colorado Springs. Moreno was gemaakt voor de klassiekers. Met veel bewondering regelden we dan ook de laatste details op de keukentafel. Michele had al uitgebreid kennis gemaakt, en had al zijn handtekening gezet. Het gaf zijn grenzeloos vertrouwen aan in Flavio, ik hoopte dat het god zou uitpakken. Moreno’s bedoeling was ons via nieuwe parcoursen op andere vlakken te laten trainen. Niet enkel de Vesuvius, maar ook op het vlakke en zelfs een trainingsstage in het Vlaamse Heuvelland stond in het programma. Hij zou mij klaarstomen om doorheen het gehele seizoen topfit te zijn in elke wedstrijd. Hij noemde mij dan ook “de opvolger van Paolo Bettiniâ€, een hele eer. Ook Damiano, Francesco en Michele kregen veel lof, en zo was na enkele ogenblikken de samenwerking in kannen en kruiken.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(34)

Moreno’s harde aanpak loonde. Ik voelde me top, en de vorm was in stijgende lijn. Hij verzekerde me dat mijn eerste kleine piek binnen drie weken zou plaatsvinden, tijdens de Tirreno en San Remo dus. Ook Bruno was dit niet ontgaan, en zou mij inzetten als kopman voor de sprints en meesterknecht van Pozzovivo in de bergen op Sardinië. Sasha Modolo was immers ziekjes geworden eergisteren en zei af voor deze ronde. Ook Damiano had een virus te pakken, al zou het eerder een voedselvergiftiging geweest zijn. Naar de oorzaak bleef het in het duister tasten, maar toch reisde hij mee af naar Sardinië. Hij was aan de beterhand en zou “carte blanche†krijgen van Bruno. Verder zaten ook Andrea Piechele, de man die mij zou bijstaan in de massasprints, Angelo Pagani, Alberto Contoli en Federico Canuti op het vliegtuig richting Cagliari, om van daaruit naar Olbia te trekken, de startplaats van de eerste rit. Het parcours was hetzelfde als het voorgaande jaar, wat betekende dat de eerste rit een massasprint zou moeten opleveren voor krachtpatsers, de aanloop was niet bepaald vlak. De volgende etappe zou alles al moeten ontploffen met een rit richting de Monte Ortobene, waar hoogstwaarschijnlijk het eindklassement al in een beslissende plooi zou liggen. De volgende twee ritten waren gemaakt voor de mannen met snelle benen, om dan op de laatste dag alles in de strijd te gooien op weg naar Gesturi. Een rit gemaakt voor de klimgeiten die aanvallende intenties hadden. Op het vliegtuig zat ook de delegatie van Lampre en Liquigas. Cunego en Sagan werden als kopman aangewezen, de mannen die vorig jaar het mooie weer maakten op het eiland samen met Michele Scarponi, die dit jaar niet startte. Giuseppe Saronni had mijn aanwezigheid al opgevangen, maar negeerde me verder. Van Daniele Pietropolli was er geen spoor, ik kon mijn gelijk dus enkel halen tegen Giuseppe.

De vlucht zou nog een halfuur in beslag nemen, en om die laatste dertig minuten nuttig in te vullen, sloeg ik met mijn buur Federico Canuti een praatje. Over zijn ouders, die nu in Veneto, op een boogscheut van Venetië, in een riant huis woonden. Daarna kwam het onvermijdelijke. ‘En jouw ouders?’ vroeg Federico, niet wetend wat hem te wachten stond. Na even aan te dringen haalde ik een foto van mijn moeder boven, die ik al sinds mijn achtste bijhoud. Het pasfotootje had in al die jaren al goed afgezien, te zien aan de vele kreukjes en kleine scheurtjes. Maar de boodschap er achter bleef nog verder bestaan. ‘Mijn ouders waren arm, maar dat maakte ze niet minder gelukkig. Mijn vader kluste overal bij en mijn moeder was fulltime huishoudster thuis. Enkele maanden na mijn vierde verjaardag reed mijn moeder met de auto in op een stilstaande Fiat op de pechstrook. De frontale botsing kostte meteen het leven van haar. Na haar dood veranderde het karakter van mijn vader aanzienlijk. Met haar was hij een dolgelukkig man met humor, een man die als handelsmerk zijn lach en behulpzaamheid gebruikte. Maar na haar dood veranderde hij in een verbitterd man. Sukkelend van de ene depressie in de ander sloot hij zichzelf op thuis. Achter zijn rug verbond ik me op mijn vijftiende aan een provinciale wielerploeg uit de regio Campanië, Napels dus. Het kon hem allemaal niet schelen, ondanks zijn verbod die mij enkele jaren lang weerhield om te gaan koersen bij een club. Nadat ik een wedstrijd ging rijden in Lombardije, kwam ik thuis tot de vaststelling dat het mijn vader allemaal te veel werd en zich van kant maakte via een ophanging. Traumatische ervaring was het, die me voor het leven getekend heeft. Sindsdien weet ik wat ik wil bereiken: geen triestig leven zoals hem. Want ook zijn jeugd was wreed, hij was immers de zoon van Raffaele Cutolo, kopstuk van de Napolitaanse maffia, de Comorra. Zo werd ik net na mijn zestiende verjaardag een wees, en vingen de ouders van Damiano mij op. Toen al kende ik Damiano, Francesco en Michele. Ik werd verzorgd door Damiano’s ouders tot ik Leona tegenkwam op een feest, ze was toen nog de vriendin van een ploegmaat van ons bij de Napolitaanse wielerclub. Het was liefde op het eerste zicht, zoals dat enkel in sprookjes werd beschreven. Een klein jaar later trokken we samen in een huis dat door de rijke ouders van Leona, advocaten weet je wel, werd geregeld. Familie heb ik in feite niet meer, ik beschouw mijn vrienden als familie. Mijn moeder werd ouderloos op haar twintigste en was enig kind, mijn vader had niet al te veel aan zijn pa Raffaele en verloor zijn ma op zijn achttiende. Hij heeft één broer, maar Oscar is voor mij een verloren oom.’

Federico was zwaar onder de indruk van mijn leven, en complimenteerde me: ‘je bent sterk Matteo, een bijzonder persoon. Als ik het zo bekijk ben ik blij dat ik jou heb leren kennen.’ Het gesprek deed deugd, net als de vaststelling dat ik nu wel veel “familie†had. Mijn vrienden dus.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(35)

Een beetje stoom afblazen, ja, dat was wat ik toen nodig had. Na een aanvaring met Giuseppe Saronni verloor ik bijna mijn zelfbeheersing die tot een vuistslag zou leiden. Bijna. Domenico Pozzovivo trok me juist op tijd weg en maande me aan kalm te blijven. Giuseppe bleef maar schelden, maar hij kreeg geen gehoor meer van mijn kant. Het was de ochtend van de eerste rit op Sardinië, en de spanning tussen ons kende een nieuwe dimensie. Giuseppe provoceerde de gehele ploeg door ons af te schilderen als gedopeerde Italiaanse smurfen, waarna ik riposteerde door Lampre letterlijk een “door de ploegleider verziekt topteam†te noemen. Zo kwam het handgemeen op gang, en gelukkig was er dus Domenico. Zo werd ik nog eens extra gemotiveerd om hier toch een goeie prestatie neer te zetten.

Ondanks de grimmige sfeer tussen Colnago-CSF en Lampre, het escaleerde als een lopend vuurtje richting Federico Canuti en Damiano, want ook Daniele Righi en Matteo Bono maakten zich niet bepaald populair door ons allemaal af te schilderen als platgespoten stervelingen. Gelukkig beseften we dat niet geheel Lampre verziekt was. Damiano Cunego kwam zich even later verontschuldigen aan ons allemaal voor deze gang van zaken. Ons respect voor “Il Piccolo Principe†nam zo nog grotere proporties aan. Een fijne coureur om mee te koersen, een fijne man naast de fiets.

Bruno bevestigde het nogmaals: ik kreeg het volste vertrouwen en moest me ik de massasprints mengen samen met mijn gangmaker Andrea Piechele. Die massasprint kwam er dan ook, ondanks een vluchtgroep van negen man, met daarin Damiano Cranello. Ook Rafaâ Chtioui, Angel Vicioso en Kristjan Koren vormden als bekendste namen de kopgroep. Wij en Colnago, o ironie, werkten samen om de massasprint vast te leggen. Enkel Giovanni Visconti, al heel de dag in de weer, probeerde nog de dans te ontspringen op een kleine zes kilometer van het einde, maar zijn poging werd door Hondo’s knechten teniet gedaan. De laatste vier kilometer waren nogal chaotisch. Ik zag de belangrijke klassementsmannen voorin postvatten – Peter Sagan en Emanuele Sella toonden alleszins in topconditie te verkeren – dus vroeg ik Domenico om het lot niet te tarten en mee naar voren te schuiven. Federico Canuti deed dat met alle plezier, zodat ook Domenico op de tweede rij de sprint kon aanschouwen. Die werd op gang getrokken door een indrukwekkend treintje van Liquigas. Jacopo Guarnieri mocht zich gelukkig prijzen met Peter Sagan als laatste man en ook nog Oss en Viviani als helpende handjes. Ik had dus met Andrea Piechele maar één man voor mij uit, maar hij stond binnen het team bekend voor zijn perfecte positionering. Dat werd me meer dan duidelijk op vijfhonderd meter van de streep. Tussen al het gewroet en gewriemel bezorgde hij me een plaatsje in de voorste linie, net achter Guarnieri. Net voor mijn beslissend eindschot werd ik echter verrast door Danilo Hondo. Zijn kwak die hij mij gaf was niet bepaald vriendelijk en respectvol, en bracht me volledig uit balans. Nadat ik ook even uit mijn rechterklikpedaal schoot was het volledig over. Het was een mirakel dat ik recht bleef in de meute, en dat mijn buurman op dat moment, een Androni-renner, niet in de nadar belande. Totaal gedesillusioneerd met de gang van zaken liet ik het hoofd hangen en zag ik niet eens dat de verprutser van mijn sprint, Hondo, aan het langste eind trok. Zijn optreden was buiten proportie, en de jury kon zeker een klacht van mij verwachten tegen zijn onverantwoord sprintgedrag. Die achtste plaats stond me immers totaal niet aan.

Moreno Argentin stond me na de aankomst al op te wachten, en ging meteen in de clinch met Hondo en voor de verandering met de gehele Lampreploeg. Het zat er weer dik op. Een heus conflict diende zich dan ook aan. Moreno verplichtte me naar de wedstrijdjury te stappen en de zege van Hondo aan te vechten via de beelden van de sprint, en hij ging me daarin vergezellen. Kokend van woede zag ik Hondo daar zitten tegen een dranghekken, nogal twijfelend en vrezend voor zijn overwinning. Ik lachte. Heel Lampre was ziek, het leek wel of enkel Damiano een goed mens was. Even later startte Moreno zijn pleidooi bij de wedstrijdjury, hij kon zo aan de slag als advocaat. De driekoppige jury, voorgezeten door een volslanke Italiaan met visbokalen op zijn neus en naar achtergekamd vettig haar, was in eerste instantie niet echt onder de indruk. Pas na het zien van de beelden, gelukkig bracht het frontale beeld Hondo’s actie nauwgezet in beeld, overtuigden de andere twee leden de opperbaas. Danilo Hondo werd per direct uit de uitslag geschrapt, waardoor Jacopo Guarnieri een plaatsje opschoof, en mocht plaatsnemen op het hoogste schavotje. Gelukkig was de podiumceremonie nog niet op gang gekomen en kon Guarnieri op tijd ingelicht worden. Dit voelde goed. Het was een persoonlijke overwinning op de Lampre-brigade, die ons, en mij in het bijzonder, als ondergeschikt behandelden. Mijn wraak zou morgen nog zoeter zijn, de eerste bergrit was op maar gesneden koek om Giuseppe een ferme hak te zetten. Samen met Domenico geloofden we in een fantastische prestatie.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(36)

‘Dat hadden ze beter niet gedaan’, zei ik op een duidelijke toon. Bruno keek verbaasd naar het krantenartikel in “La Gazzetta dello Sport.†‘Dit kan niet zijn Matteo, ik heb zin om gerechtelijke stappen te ondernemen. Dit kan godverdomme niet zijn!’ Zijn goddelijk vloekwoord zette zijn zin duidelijk kracht bij. Flavio en Moreno konden het nog altijd niet geloven, maar ik drukte hen nog maar eens op de keiharde feiten. ‘Als ik die Daniele vind… Allebei zijn benen breken, dat doe ik er mee!’ De sfeer was bijzonder grimmig in het hotel. Zowat de gehele Colnago-brigade zat volgepropt met rancune.

Het was duidelijk, het peloton was in de ban van de “bekentenis†die in de roze krant deze morgen stond. Daniele Pietropolli verklaarde dat hij me vorig jaar betrapt had bij inname van verboden middelen en dat ik trachtte te dealen met anderen uit het team. Natuurlijk was hier niets van aan, pure jaloezie was het, maar je kent de maatschappelijke opinie. Waar rook is, is ook vuur. Talloze telefoontjes vulden mijn bijzonder drukke ochtend. Mijn voorbereiding op deze tweede rit van de Ronde van Sardinië was op deze wijze helemaal naar de kloten, en ik kon niet anders dan snel een geïmproviseerde persconferentie te geven. Daarin benadrukten Flavio, Moreno, Bruno en ikzelf dat ik nooit maar dan ook nooit een poging heb ondernomen om me te doperen, laat staan gedeald te hebben. Zelfs de intentie was niet aanwezig, waarna vooral Moreno met scherp schoot naar Daniele en Lampre in het bijzonder. ‘Dit is geen wielrennen meer. Lampre probeert de concurrentie lam te leggen door nonsens de wereld in te sturen en zo ons te doen wankelen. Er zitten enkele rotte appels in dit team, maar ik benadruk dat een veralgemenisering niet op zijn plaats is. Vooral Daniele Pietropolli en ploegleider Giuseppe Saronni spelen onder één hoedje, en we dachten er even aan om gerechtelijke stappen te ondernemen, maar Matteo overtuigde ons om over te gaan naar sportieve revanche. Ik was in shock vanmorgen door het bericht, en Daniele en Giuseppe zullen boeten voor hun daden. Bij deze verklaar ik de oorlog aan Lampre-ISD.’

Natuurlijk was dit hét gespreksonderwerp bij uitstek in het peloton. Merkwaardig was dat ik en mijn entourage vooral werden bejubeld door onze directe en juiste aanpak tegen de verwijten aan mijn adres. Damiano Cunego betreurde ten zeerste deze gang van zaken, en verleende volledige steun aan mij, net als het merendeel van zijn ploegmaats. Het toonde duidelijk aan dat het redelijk scheef zat bij Lampre-ISD. Hoe dan ook, vandaag moest de Monte Ortobene beklommen worden, meteen de zwaarste beproeving van deze Giro di Sardegna. En wat nog meer is: ‘de mistral zal voor de absolute beslissing zorgen’, zoals Bruno het verwoorde. Inderdaad, net als Corsica staat Sardinië volledig onder invloed van de mistral, en dat kon wel eens voor waaiervorming zorgen. Soloaanvallen zouden zo ook al snel afgelopen kunnen zijn.

De motivatie om vandaag te gaan knallen werd vooral gesmeed door revanchegevoelens. Uiteraard. Maar ook Michele zorgde voor motiverende momenten. Hij was vandaag aanwezig onder het goedkeurend oog van de dokter, en mag als alles goed is binnen een kleine drie weken weer op de fiets kruipen. Michele was zo verheugd als een kwispelende hond. Zijn wens vandaag was dan ook mij als eerste op de Monte Ortobene zien aankomen. ‘Geen sinecure, maar ik vecht voor wat ik waard ben.’ Er zou vooral gekeken moeten worden naar Damiano Cunego, Michele Scarponi en Peter Sagan. Drie mannen die ook de vorige editie kleurden.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Geplaatste Afbeelding

(37)

Geplaatste Afbeelding

Eindelijk even rust. Het was nodig na al die onnodige stress door de vete met Lampre. Nu er vier vluchters zijn weggereden, kon ons team rustig verder bollen. Werk zat er nog niet in voor ons, dat zou pas komen wanneer het parcours glooiend zou gaan worden. Wat me opviel in de achterhoede van het peloton: Michele Scarponi en Peter Sagan die zich verdiepten in een diepgaand gesprek tussen Hondo en zijn ploegleider. Scarponi profileerde zich vanmorgen als steun voor mij samen met Cunego, als quasi enige van de Lampreploeg. Giuseppe was hier niet mee opgezet, maar aangezien die twee zijn belangrijkste troefkaarten zijn, kan hij ze weinig maken. Hoe dan ook, de meute die achter mij stond in deze zaak waren talrijker aanwezig dan de Lampre-aanhangers. Dat bevestigde Peter Sagan bij de start. ‘Liquigas staat helemaal achter jou Matteo, wat Lampre doet is niet te verantwoorden.’ De groenen konden natuurlijk ook het bloed van Saronni’s manschappen drinken. Het leek wel meer Lampre tegen de rest op dit moment.

De Italiaanse weermannen waren het unaniem eens: vandaag zou het droog blijven. Wel koud, maar droog. Na een tweetal uur koersen en na een dikke 80 kilometer achter de kiezen te hebben veranderde het weer drastisch. Plots nam de temperatuur een fikse duik, en wanneer ook de wolken een bijzonder dik pakket vormden, ontstond er lichte paniek in het peloton. Twee druppels werden er twintig, waarna even later de zondvloed compleet was. De wind stak ook op, waardoor we konden spreken van een echte storm. En net op dat moment zakte Federico Canuti uit om mij naar voren te brengen. ‘We gaan koersen Matteo. Wij gaan het hier hard maken, dit is onze rit.’ Ik schrok werkelijk van de reactie. Bruno bevestigde Canuti’s woorden, en gaf mij voor 100% het vertrouwen op een goed resultaat vandaag. De plotse storm hield lelijk huis in het peloton. Een rondpunt werd een ware schaatsbaan, een versmalling een ware kettingbotsing. Voornaamste slachtoffers van de schaatsbanen: Philip Deignan van RadioShack, bezig aan hun laatste seizoen in het wielerpeloton, Francesco Gavazzi van Astana en Damiano Cunego. De eerste twee konden niet meer verder en namen plaats in de ploegauto. Cunego daarentegen werd al snel door zijn ploegmaats naar voren geloodst, waar mijn makkers er de pees oplegden nadat we 110 kilometer verwerkt hadden, het punt waar het eerste klimmetje lag.

De wind blies bijzonder stevig. Wie geen beschutting had was gezien. Damiano beschermde mij alsof ik zijn zoon was, terwijl Pozzovivo zich profileerde als dirigent. Ik had helemaal niet verwacht van zijn hulp te kunnen profiteren. Het waren Angelo Pagani en Alberto Contoli die het tempo bepaalden. Niet al te hoog, maar klaar om van de wind te profiteren. Hoewel het nog ver van de finish was, voelde ik dat het goed zat. Zeker toen ook enkele Liquigas-renners zich in de debatten mengden. Zo kregen we de kopgroep al op 60 kilometer van de streep al opdoemen, en kon het echte werk gaan beginnen. Het peloton was op dit punt al uitgedund tot 80 man. Canuti zorgde er eigenhandig voor dat de grote poort achteraan wagenwijd open stond bergop, terwijl Pagani en Contoli maar blijven doortrekken. We bevonden ons nu op een lang, recht en vlak stuk waar de wind ten westen van ons blies. Ideaal.

Damiano en Canuti sloegen de handen in elkaar, en met behulp van nog enkele tegenstanders trokken ze de boel helemaal open. De weerssituatie bleef nu al enkele uren status-quo: het was van de hond, wat maakte dat het heroïsche beelden waren. Beukende renners die zwommen door het water die op de wegen aanwezig waren, een stevige stormachtige wind en een dik, zwart wolkenpakket op de achtergrond. Heerlijk. Toen de laatste klimkilometers voor de Monte Ortobene werden aangevat, zette Canuti zich resoluut op kop. Ik draaide rond op een vijftiende plaats ongeveer, samen met Pozzovivo en Sagan naast me. Peter zag er nu al fris uit. Parijs-Nice zou zijn eerste grote koers worden, en daar schittert hij altijd als je het verleden erbij haalt. In 2010 was dit immers de eerste koers waar hij voor het eerst zijn neus aan het venster stak voor de ogen van het grote publiek, nadat hij al in de Tour Down Under in de bovenste regionen eindigde. ‘Je word een taaie klant Matteo, ik ben eens benieuwd wat je in je mars hebt.’ Het respect dat mijn rechtstreekse concurrenten voor me hadden werkte bijzonder motiverend. Na mijn zwarte jeugd had ik eindelijk eens het gevoel iets te betekenen in het leven. Toen Domenico er mij attent op maakte dat het peloton al goed uitgedund was en de afdaling bijna ten einde was, zette ik me achter Canuti vooraan in het peloton. Canuti liet zich nog niet uitzakken, hij voelde dat de kracht die nog in zijn benen aanwezig waren genoeg waren om een kilometer of twee nog het tempo hoog te houden. En net voor we de Ortobene opdraaiden, kwam Damiano naast me rijden met de woorden: ‘ik breng je naar de zege.’ Ik schrok van zijn reactie en zijn voorkomen. Damiano was duidelijk hersteld van zijn zieke dagen en zijn conditie bleef blijkbaar op een hoog pijl. Met totale controle over de rit vatten we de Monte Ortobene aan, bestaande uit twee trapjes van elk een dikke zeven kilometer lang. Pal in het midden lag er een kleine kilometer vals plat te wachten op de gladiatoren. 38 man bleef er nog over. De sterkste zou vandaag winnen.

Share this post


Link to post
Share on other sites

Create an account or sign in to comment

You need to be a member in order to leave a comment

Create an account

Sign up for a new account in our community. It's easy!

Register a new account

Sign in

Already have an account? Sign in here.

Sign In Now